Let op: ons postbusnummer verdwijnt

 

Wij willen je graag informeren over een wijziging in ons postadres.

 

 

Ons postbusnummer 7660 wordt opgeheven. Dit betekent dat deze postbus vanaf nu niet meer in gebruik is. We verzoeken je vriendelijk om dit postbusnummer niet langer te gebruiken voor correspondentie.

📬 Nieuw (en voortaan enige) postadres:
Polluxweg 20
8938 AZ Leeuwarden

 

Door voortaan al je post naar dit adres te sturen, zorg je ervoor dat wij je stukken tijdig en correct ontvangen. Dit helpt ons om je zo goed en efficiënt mogelijk van dienst te blijven.

De Belastingdienst gebruikt vanaf 1 mei nieuwe rekeningnummers

Vanaf 1 mei 2026 is Rabobank de huisbank van de Belastingdienst en niet langer ING. Hierdoor zijn er nieuwe rekeningnummers in gebruik. De verandering volgt uit een periodieke aanbesteding van het betalingsverkeer door het ministerie van Financiën. Er geldt een overgangstermijn van 1 jaar.

Wat merk je hiervan?

Moet je belasting betalen? Dan ontvang je een bericht van de Belastingdienst met daarin het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer.
Krijg je geld terug? Dan wordt dit steeds vaker overgemaakt vanaf een nieuw rekeningnummer.

Je ziet vanzelf welk rekeningnummer je moet gebruiken

Als je belasting moet betalen, krijg je daar altijd een bericht over. Dat kan per brief of via digitale post. In dit bericht staat de betaalinformatie, inclusief het rekeningnummer waarnaar je het bedrag moet overmaken.
Staat daar een nieuw Rabobank‑rekeningnummer? Gebruik dan dat nummer voor je betaling.
Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is:
NL04 RABO 0200 1122 44
Let op: sommige belastingen hebben een ander nieuw Rabobank‑rekeningnummer.

De manier van betalen blijft hetzelfde

De nieuwe rekeningnummers hebben geen gevolgen voor hoe je belasting betaalt. Ook na de wijziging kun je blijven betalen zoals je gewend bent, bijvoorbeeld via internetbankieren.

Periodieke betalingen: soms zelf aanpassen

Betaal je via automatische incasso? Dan hoef je niets te doen. Deze betalingen worden automatisch naar het juiste rekeningnummer verwerkt.
Heb je periodieke betalingen op een andere manier ingesteld, zoals via een vaste overboeking bij je bank? Dan moet je zelf het rekeningnummer aanpassen.

Per ongeluk betaald op het oude rekeningnummer?

Geen probleem. Heb je toch nog een betaling gedaan naar het oude ING‑rekeningnummer? Dan wordt dit gewoon goed verwerkt. De Belastingdienst heeft hierover afspraken gemaakt met ING.
Je kunt fouten voorkomen door het nieuwe rekeningnummer op te slaan in je adresboek of administratie zodra je een bericht ontvangt met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer.

Pas op voor phishing

De Belastingdienst stuurt nooit betaalverzoeken via e‑mail, sms, WhatsApp of telefoon. Twijfel je of een bericht of telefoontje echt is? Volg dan het stappenplan voor valse berichten en controleer of het rekeningnummer voorkomt op de officiële lijst met rekeningnummers van de Belastingdienst.

Minister Heinen wil op Prinsjesdag duidelijkheid geven over box 3-heffing

 

Minister Eelco Heinen (Financiën) wil tijdens Prinsjesdag in september duidelijk maken of het nieuwe stelsel voor het belasten van rendement op vermogen in box 3 wordt aangepast. Ook moet dan helder zijn hoe eventuele gevolgen voor de schatkist worden opgevangen.

 

Dat zei de VVD-minister voorafgaand aan de ministerraad. Kort nadat het nieuwe kabinet werd beëdigd, liet Heinen al weten dat hij het box 3-stelsel opnieuw wil bekijken. Dit terwijl de Tweede Kamer er, onder sterke tijdsdruk en met tegenzin, net mee had ingestemd.
Het plan om belasting te heffen over daadwerkelijk behaald rendement inclusief papieren winsten op bijvoorbeeld aandelen leidt tot veel kritiek onder beleggers. Zij vinden dat ze verliezen moeten kunnen verrekenen met eerdere winsten.

Onrust

In een reactie op een reconstructie van NRC, waarin wordt gesteld dat coalitiepartners en zijn eigen ambtenaren verrast waren door zijn snelle uitlatingen, zegt Heinen dat hij dat beeld niet herkent. Hij stelt dat hij “financiële onrust” zag ontstaan en daarom snel moest handelen, zonder uitgebreid overleg. “En dat heb ik gedaan,” aldus de minister.

Hoewel er geen acute paniek op de financiële markten was rond het nieuwe stelsel, dat pas vanaf 2028 zou gelden en waar al jarenlang aan wordt gewerkt, ontstond er op sociale media wel veel rumoer. Daarbij werd volgens Heinen ook veel desinformatie verspreid. Daarnaast was de steun in de Eerste Kamer nog allerminst zeker; de senaat moest de inhoudelijke behandeling namelijk nog starten.

Discussie

De discussie over de hervorming van box 3 speelt al langer. Zo meldde het FD eind februari dat ook Nederlandse start-ups en scale-ups zich zorgen maken over de vermogensaanwasbelasting die mogelijk in 2028 wordt ingevoerd. Zij vrezen dat medewerkers en vroege investeerders belasting moeten betalen over aandelen die ze niet zomaar kunnen verkopen.

Veel beleggers vinden dat Nederland, net als andere landen, beter kan kiezen voor een vermogenswinstbelasting waarbij je pas bij verkoop afrekent met de fiscus. Volgens een recente analyse van het FD zou ook een lager belastingtarief een deel van de bezwaren kunnen verzachten.

Dga’s keren massaal dividend uit om belastingverhoging voor te zijn

Directeur-grootaandeelhouders konden jarenlang belastingheffing uitstellen door slim te plannen met dividenduitkeringen of te lenen van hun eigen bv. Met de komst van het tweeschijvenstelsel in box 2 (2024) en de Wet excessief lenen (2023) is dat minder aantrekkelijk geworden. Volgens onderzoekers, die hierover schrijven in Economische Statistische Berichten (ESB), hebben dga’s hun gedrag hierdoor op grote schaal aangepast.

Strategisch gedrag door nieuw box 2-stelsel

Het vernieuwde box 2-stelsel speelt hierin een belangrijke rol. Tot 2023 gold één uniform tarief, maar sinds 2024 wordt dividend tot €67.000 belast tegen 24,5% en daarboven tegen 33%. Dga’s die regelmatig grotere bedragen uitkeren, hadden er daardoor belang bij om dividend nog in 2023 uit te betalen tegen het oude tarief van 26,9%.

Dividenduitkeringen meer dan verdubbeld

Die anticipatie is duidelijk terug te zien in de cijfers. In 2023 steeg het totale uitgekeerde dividend fors en verdubbelde het gemiddelde uitgekeerde bedrag zelfs. Vooral een relatief kleine groep dga’s met hoge winsten in hun bv zorgde voor deze piek. Tussen 2013 en 2023 kwam het totaal aan uitgekeerd dividend uit op ongeveer €115 miljard, waarbij piekjaren samenvielen met fiscale wijzigingen.

Effect van de regels rondom lenen van de eigen bv

Ook de nieuwe regels voor lenen uit de bv zorgden voor een vergelijkbare reactie. Vanaf 2023 mogen dga’s nog maar tot een bepaald maximum lenen zonder belastingheffing. Alles daarboven wordt belast als box 2-inkomen. In aanloop naar die wijziging losten dga’s in 2023 bijna €5 miljard aan leningen af, ruim twee keer zoveel als een jaar eerder. Voor het eerst in jaren daalde het totale leenbedrag omdat er meer werd afgelost dan nieuw geleend. Opvallend is dat er nog steeds miljarden aan leningen boven de toegestane grens uitstaan. Sommige dga’s kiezen er bewust voor om hierover box 2-belasting te betalen, bijvoorbeeld omdat de lening fiscaal gunstig blijft in box 3 of gekoppeld is aan de eigen woning.

Fiscale prikkels blijven bepalend

De onderzoekers concluderen dat dga’s sterk reageren op fiscale prikkels. Door de timing van dividend en leningen aan te passen, kunnen zij hun belastingdruk beïnvloeden. Dat zorgt soms voor pieken in belastingopbrengsten, maar leidt ook tot uitstel of lagere inkomsten op de langere termijn.
De verwachting is dat de nieuwe regels een blijvende impact zullen hebben. Het tweeschijvenstelsel maakt het aantrekkelijker om jaarlijks een beperkt bedrag aan dividend uit te keren, wat waarschijnlijk leidt tot stabielere belastingopbrengsten. Tegelijkertijd wordt het lastiger om belasting te blijven uitstellen via leningen.

Werkelijk rendement in box 3: in 2025 lang niet altijd de voordeligste keuze

 

Moet je belasting betalen op basis van het forfaitaire rendement of over het werkelijk rendement? Vanaf aangiftejaar 2025 maak je deze keuze direct in je aangifte. Veel mensen hebben inmiddels gerekend en komen tot de conclusie dat het forfaitaire rendement dit jaar vaak juist gunstiger is.

 

Wat valt onder “werkelijk rendement”?

Na een uitspraak van de Hoge Raad is de wet aangepast. Vanaf nu mag je kiezen voor belastingheffing over het werkelijke rendement, maar alleen als dat voor jou voordeliger uitpakt. Voor de jaren 2017 t/m 2024 gebruikt de Belastingdienst nog aparte formulieren, maar vanaf 2025 kies je direct in je aangifte tussen forfaitair of werkelijk rendement.
De wet volgt de uitleg van de Hoge Raad. Daardoor is “werkelijk rendement” breder dan veel mensen denken: het gaat om het totale rendement dat je in een jaar op je vermogen behaalt.
Dat betekent dat:

  • rente, huur en dividend meetellen
  • zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardestijgingen meetellen
  • kosten niet aftrekbaar zijn
  • betaalde rente wél aftrekbaar is
  • verliezen niet verrekend mogen worden
  • er geen heffingsvrij vermogen is

Voor wie is de keuze relevant?

Wie de rekensom maakt, ziet dat het forfaitaire rendement in 2025 vaak gunstiger is. Dat komt vooral door:

  • het forfaitaire rendement voor overige bezittingen (bijv. beleggingen) is 5,88%
  • het werkelijke rendement van bijvoorbeeld woningen en beursgenoteerde aandelen in 2025 vaak hoger lag dan 5,88% (hoewel dit per situatie verschilt)
  • bij werkelijk rendement verdwijnt het heffingsvrije vermogen volledig

Vooral voor mensen met kleinere tot middelgrote vermogens werkt dat laatste nadelig. Daardoor wijkt de uitkomst soms af van wat je op basis van de rendementen zou verwachten.
Zelfs met een lage spaarrente en bescheiden rendementen op beleggingen blijkt werkelijk rendement dus lang niet altijd voordeliger.
Heb je per ongeluk gekozen voor werkelijk rendement terwijl dit ongunstiger uitpakt? Geen paniek: de belastingdruk zal nooit hoger zijn dan die van het forfaitaire systeem.

Het nieuwe box 3‑stelsel vanaf 2028

Vanaf 2028 verandert box 3 opnieuw. Kosten worden dan wél aftrekbaar, maar tegelijkertijd wordt belasting geheven over het werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde waardeveranderingen. Voor vastgoed en start‑ups/scale‑ups geldt een uitzondering.
Omdat er straks geen keuzemogelijkheid meer is, zullen beleggers in jaren met hoge rendementen waarschijnlijk nog met enige weemoed terugdenken aan het oude box 3‑stelsel.

Conclusie

Het idee dat werkelijk rendement vrijwel altijd voordeliger zou zijn, klopt maar beperkt. Ook voor mensen met een bescheiden vermogen die vooral beleggen om hun vermogen te behouden, is werkelijk rendement zeker geen automatische verbetering.

Inkomstenbelasting 2025

 

Vanaf 1 maart kan de aangifte inkomstenbelasting (aangiftejaar 2025) weer worden ingediend. Uiteraard kunnen wij dit ook dit jaar weer volledig voor je verzorgen.

 

 

Wil je dat wij je aangifte voor je doen? Dat regelen we graag voor je!

Je kunt je gegevens op de manier aanleveren die voor jou het prettigst is:

  • langskomen bij ons op kantoor
  • per post versturen
  • mailen naar je vaste contactpersoon
  • mailen naar info@b360.nl

Zorg er bij voorkeur voor dat je alle relevante stukken meestuurt, zoals onder andere:

  • jaaropgaven (loon, uitkering, pensioen)
  • WOZ-beschikking met peildatum 1 januari 2024
  • jaaropgaaf van je hypotheek
  • jaaroverzichten van bank-, spaar- en beleggingsrekeningen (ook van kinderen onder de 18)
  • jaaroverzichten van cryptobezittingen
  • eventuele zorgkosten, giften of andere aftrekposten
  • overige gegevens van leningen, schulden, lijfrentepremies, AOV e.d.
  • ontvangen of betaalde partneralimentatie

Heb je vragen of twijfel je of bepaalde gegevens nodig zijn? Neem gerust contact met ons op, we denken graag met je mee.

Buro360
Polluxweg 20
8938 AZ  LEEUWARDEN

058 26 55 526

Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

 

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen. Ondanks de aanzienlijke weerstand tegen het voorstel, stemde uiteindelijk een ruime meerderheid vóór.

 

Verder uitstel heeft de staatskas inmiddels al miljarden euro’s aan gemiste belastinginkomsten gekost. Bij extra vertraging zouden deze verliezen alleen maar verder oplopen. Het is de bedoeling dat het nieuwe belastingstelsel in 2028 in werking treedt.

Toch is het onzeker hoe lang dit stelsel stand zal houden. Het kabinet dat binnenkort aantreedt, zal vrijwel direct moeten beginnen met een volgende hervorming. De Kamer wil dat vermogenden voortaan pas belasting betalen over gerealiseerde winsten bij verkoop van beleggingen, in plaats van over zogenoemde ‘papieren’ winsten. Een meerderheid verzocht eerder deze week om uiterlijk op Prinsjesdag 2028 met een concreet plan te komen.

Daarnaast is ook een amendement aangenomen waarin is vastgelegd dat het nieuwe stelsel na drie jaar wordt geëvalueerd.

Staatssecretaris verduidelijkt gevolgen massaal bezwaar belastingrente

 

Staatssecretaris Heijnen heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de consequenties van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. In dit arrest is geoordeeld dat het verhoogde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting (Vpb) onverbindend is.

 

In zijn toelichting geeft de Staatssecretaris aan dat de Hoge Raad het verhoogde rentepercentage voor de Vpb buiten toepassing heeft verklaard. Dit betekent dat in alle gevallen waarin belastingrente wordt berekend, het reguliere rentepercentage moet worden toegepast. Voor de vennootschapsbelasting is het massaal bezwaar geregeld in het besluit van 7 februari 2025. Voor de inkomstenbelasting (IB) is het massaal bezwaar vastgelegd in het besluit van 16 april 2025.

Massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting

Naar aanleiding van het arrest is het kabinet van oordeel dat de rechtsvragen die zijn opgenomen in de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente Vpb inmiddels definitief zijn beantwoord. De onderliggende zaak fungeerde als proefprocedure voor deze aanwijzing. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage in strijd is met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel. De overige rechtsvragen uit de aanwijzing die betrekking hadden op toetsing aan andere algemene rechtsbeginselen of aan hoger (verdrags)recht zijn door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Op basis van het arrest bestaat daarom geen aanleiding voor aanvullende overwegingen of tegemoetkomingen.

Massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting

Hoewel voor de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente IB geen proefprocedure was aangewezen, acht de Staatssecretaris ook deze rechtsvragen met het arrest beantwoord. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het reguliere belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of met geschreven hoger recht. Dit rentepercentage is derhalve niet onverbindend. Ook de per 1 januari 2024 ingevoerde wijziging in de berekeningssystematiek van het toepasselijke belastingrentepercentage leidt niet tot een ander oordeel.

De Staatssecretaris neemt hiermee een duidelijk eigen standpunt in, zonder een nadere uitspraak van de Hoge Raad af te wachten. Tegelijkertijd lopen er nog verschillende procedures. Zo is bij de Hoge Raad nog een zaak aanhangig over de rechtmatigheid van de belastingrente in de inkomstenbelasting. In zijn conclusie heeft de Procureur-Generaal aangegeven dat een belastingrente van ten minste 4% op stelselniveau volgens hem niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad moet hierover nog arrest wijzen. Daarnaast loopt er nog een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland.

Collectieve uitspraken op bezwaar en uitvoeringsgevolgen

Op grond van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet, zodra de rechtsvragen uit een aanwijzing massaal bezwaar definitief zijn beantwoord, binnen zes weken een collectieve uitspraak op bezwaar worden gedaan. Met deze collectieve uitspraak beslist de inspecteur op alle bezwaren waarop de aanwijzing massaal bezwaar van toepassing is.

De inspecteur zal twee afzonderlijke collectieve uitspraken doen. De eerste ziet op het massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting. De bezwaren die onder deze aanwijzing vallen, zullen bij collectieve uitspraak gegrond worden verklaard. De tweede collectieve uitspraak betreft het massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting. De bezwaren waarop deze aanwijzing van toepassing is, zullen ongegrond worden verklaard. Tegen een collectieve uitspraak staat geen beroep open.

Uiterlijk op 26 februari 2026 worden beide collectieve uitspraken gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. Binnen zes maanden na deze publicatie zullen de rentebeschikkingen waarin het verhoogde percentage is toegepast en die onder de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting vallen, worden verminderd. De belastingrente wordt daarbij herberekend op basis van het toepasselijke reguliere percentage. Openstaande verzoeken tot herziening van belastingrente die is vastgesteld bij een voorlopige aanslag worden toegewezen, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De Belastingdienst heeft momenteel circa 30.000 van dergelijke bezwaren en verzoeken in behandeling.

De rentepercentages zijn inmiddels verwerkt in de IT-systemen van de Belastingdienst. Nieuwe beschikkingen belastingrente worden daarom berekend met toepassing van het juiste, reguliere percentage.

Concreet

In de praktijk betekent dit dat in bepaalde situaties nog steeds bezwaar moet worden gemaakt of een verzoek tot herziening van de belastingrente bij een voorlopige aanslag Vpb moet worden ingediend. Voor een overzicht van deze situaties wordt verwezen naar de website van de Belastingdienst, onder het kopje “Kan ik nog bezwaar maken tegen een aanslag vennootschapsbelasting met belastingrente?”. Waar in dit overzicht wordt gesproken over een aanslag vennootschapsbelasting, dient daaronder ook een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting te worden begrepen.

Het kan voorkomen dat al een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag Vpb is ingediend voordat een combinatiebrief kon worden verstuurd. Indien op dat verzoek een afwijzende beschikking is gegeven, eindigt de bezwaartermijn op de dag van dagtekening van de definitieve aanslag Vpb. Ligt de dagtekening van de afwijzende beschikking binnen zes weken vóór de dagtekening van de definitieve aanslag, dan eindigt de bezwaartermijn zes weken na de dagtekening van de afwijzende beschikking. Zo eindigt bijvoorbeeld de bezwaartermijn op 23 februari 2026 indien de afwijzende beschikking is gedagtekend op 12 januari 2026 en de definitieve aanslag Vpb is opgelegd op 14 januari 2026.

Met het doen van de collectieve uitspraken op bezwaar komt tevens een einde aan de massaal bezwaarprocedure voor de belastingrente. Bezwaarschriften die daarna worden ingediend, zullen individueel door de inspecteur worden behandeld en vereisen, indien nodig, een individueel beroep. Het is daarom raadzaam om met de cliënt te bespreken of deze route nog wenselijk is en deze keuze schriftelijk vast te leggen. Daarbij merken wij op dat wij de kans gering achten dat de Hoge Raad het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en de overige belastingen die zijn genoemd in het besluit massaal bezwaar van 16 april 2025 alsnog onverbindend zal verklaren. Dit oordeel baseren wij op de overwegingen ten overvloede in het arrest van 16 januari 2026 en op de eerdergenoemde conclusie van de Procureur-Generaal.

Continuïteit onderneming rechtvaardigt verlaging gebruikelijk loon

De enkele omstandigheid dat betaling van het gebruikelijke loon tot een verlies leidt, vormt op zichzelf geen zakelijke reden om het loon te verlagen. Wanneer echter sprake is van een structurele verliessituatie waarbij uitbetaling van het eerder vastgestelde gebruikelijke loon de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt, kan een verlaging wél gerechtvaardigd zijn. Dat oordeelt het gerechtshof Den Haag.

Achtergrond van de zaak

De BV in kwestie houdt zich bezig met de in- en verkoop van edelmetalen, het verpanden van edelmetalen en registergoederen en de bewerking van edelmetalen. De dga is zowel enig aandeelhouder als enig werknemer. In januari 2023 doet de BV aangifte loonheffingen naar een belastbaar loon van € 48.000. Omdat betaling uitblijft, legt de inspecteur een naheffingsaanslag op voor dit bedrag plus een verzuimboete. Na bezwaar verlaagt de inspecteur het belastbare loon tot € 25.000.

De BV is het daarmee niet eens en stapt naar de rechtbank Den Haag. Die stelt het gebruikelijke loon verder omlaag vast op € 7.500, omdat betaling van een hoger loon de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. De inspecteur gaat daarop in hoger beroep bij het hof Den Haag.

Wettelijk kader en parlementaire geschiedenis

Het hof wijst op artikel 12a Wet LB: het gebruikelijke loon bedraagt in beginsel minimaal € 48.000 (voor 2022). Een lager loon is mogelijk als aannemelijk wordt gemaakt dat in vergelijkbare dienstbetrekkingen een lager loon gebruikelijk is.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een slechte financieel‑economische positie aanleiding kan zijn om het gebruikelijke loon te verlagen. De wetgever heeft bij de parlementaire behandeling overwogen dat verlaging zakelijk is wanneer betaling van het loon de continuïteit van de onderneming zou bedreigen.

Onmiddellijke bedreiging van de continuïteit

Het hof stelt vast dat betaling van een loon van € 25.000 in 2022 zou hebben geleid tot onmiddellijke discontinuïteit. De BV beschikte niet over voldoende liquiditeiten; om het loon te kunnen betalen, zouden voorraden of bedrijfsmiddelen moeten worden verkocht. Daardoor zou het noodzakelijke ondernemingskapitaal verdwijnen.

Dat de onderneming op dat moment nog niet structureel verlieslatend was, doet volgens het hof niet ter zake. Doorslaggevend is de vraag of uitbetaling van het loon de bedrijfsvoering direct onder druk zet. De stelling van de inspecteur dat alleen hoeft te worden gekeken of voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om de loonheffing af te dragen, vindt het hof in strijd met de parlementaire toelichting.

Financiële onderbouwing door de BV

De BV wijst op de zeer beperkte winsten in de jaren 2019–2021, de verliezen vanaf 2022 en haar beperkte eigen vermogen. De dga heeft zich in deze periode geen loon uitbetaald en ook op geen andere wijze gelden aan de BV onttrokken. Het hof acht aannemelijk dat het schaarse eigen vermogen – inclusief een eenmalige coronasteun in 2021 – noodzakelijk was voor voortzetting van de onderneming, onder meer voor de aankoop van voorraden en investeringen in bedrijfsmiddelen.

Daarnaast speelde mee dat de verhuurder van het winkelpand de huur eind 2024 wilde beëindigen, waarna de BV heeft besloten de onderneming in 2025 te staken.

Rol van latere feiten

Het hof benadrukt dat feiten na 31 december 2022 in principe geen rol spelen bij de toepassing van artikel 12a Wet LB. Toch moet de inspecteur bij zijn besluitvorming wél onder ogen zien dat de onderneming ook daarna verliesgevend bleef en in 2025 – afgezien van een leegverkoop – is gestaakt.

Eindoordeel

Het hof concludeert dat de BV heeft voldaan aan haar bewijslast: het door de inspecteur aangenomen gebruikelijke loon van € 25.000 is te hoog vastgesteld. De rechtbank heeft het loon terecht verlaagd tot € 7.500.

EU-landen bereiken akkoord over digitale euro

 

Op 19 december hebben de EU-lidstaten een akkoord bereikt over de invoering van een digitale euro. De daadwerkelijke introductie laat echter nog op zich wachten: op zijn vroegst in 2029. Eerst moet het Europees Parlement instemmen, waarna de lidstaten en het Parlement samen tot een definitief besluit moeten komen.

 

Het akkoord volgde op een voorstel dat de Europese Commissie in juni 2023 presenteerde. Nederland heeft in de onderhandelingen sterk ingezet op strenge privacyvoorwaarden, niet-programmeerbaarheid en de mogelijkheid om de digitale euro offline te gebruiken. Volgens het ministerie van Financiën zijn deze punten nu stevig verankerd in de ontwerpverordening. Daarnaast heeft Nederland erop aangedrongen dat de kosten voor winkeliers laag blijven.

Digitale euro

De digitale euro wordt een digitale variant van contant geld die wordt uitgegeven door de Europese Centrale Bank (ECB). Het vormt een extra betaalmiddel naast banktegoeden en fysiek contant geld, waarbij gebruik niet verplicht is. Burgers zullen voor digitale euro’s bij hun bank een aparte rekening kunnen openen. Betalen kan via de bankapp, een app van de ECB of een speciale betaalkaart.

Online en offline betalen

Er komen twee varianten: een online en een offline digitale euro. De online versie kent een vergelijkbaar privacyniveau als bestaande digitale betaalmethoden, zoals pinnen of betalen met de mobiele telefoon. De offline variant biedt meer privacy en werkt bijvoorbeeld door twee telefoons dicht bij elkaar te houden. Hierdoor zijn betalingen ook mogelijk bij internetstoringen, stroomuitval of wanneer banksystemen tijdelijk niet beschikbaar zijn.

Winkeliers worden verplicht om digitale euro’s te accepteren. Als zij nu pinbetalingen toestaan, moeten zij ook betalingen met de digitale euro accepteren. Het ministerie van Financiën benadrukt dat dit voor Nederlandse winkeliers in de eerste jaren niet duurder zal zijn dan bestaande betaalmethoden en dat er ook op langere termijn maatregelen zijn om hoge kosten te voorkomen.

Niet bedoeld om te sparen

De digitale euro is bedoeld als betaalmiddel en niet om vermogen op te bouwen. Daarom wordt er een aanhoudingslimiet ingesteld: gebruikers kunnen maar een beperkt aantal digitale euro’s aanhouden. Net als contant geld levert een digitale euro geen rente op. Daarnaast hebben de EU-landen unaniem vastgelegd dat de digitale euro – of de technologie erachter – niet programmeerbaar mag zijn. Het gebruik kan dus niet worden gekoppeld aan specifieke bestedingsdoelen.

Kosten

Standaarddiensten zoals het openen of sluiten van een digitale-eurorekening en het doen van betalingen worden kosteloos voor consumenten. De ontwikkeling en het beheer van het systeem brengen echter wel kosten met zich mee. De Europese Centrale Bank neemt een deel van de kosten van het betalingsverkeer op zich. Banken, betaaldienstverleners en winkeliers leveren eveneens een bijdrage. In de beginjaren worden winkeliers beschermd tegen hogere tarieven. Zodra duidelijk is wat de feitelijke kosten voor banken en betaaldienstverleners zijn, worden de tarieven daarop aangepast.