Verzekeraars waarschuwen werkgevers: voorkom een pensioenstrop

 

Het Verbond van Verzekeraars roept ondernemers op om snel in actie te komen en contact op te nemen met hun verzekeraar of premiepensioeninstelling. De reden: pensioenregelingen moeten worden aangepast aan het nieuwe pensioenstelsel. Gebeurt dat niet op tijd, dan kan de Belastingdienst het opgebouwde pensioenvermogen aanmerken als loon. In dat geval moet over het volledige vermogen belasting worden betaald.

Een woordvoerder van het Verbond bevestigt dit na berichtgeving van het AD. Volgens de krant hebben tienduizenden mkb-bedrijven hun pensioenregeling nog niet aangepast aan de nieuwe regels.
Ongeveer 20 procent van de werknemers – vooral werkzaam bij mkb-bedrijven – heeft een pensioenregeling die loopt via een verzekeraar of een premiepensioeninstelling. Pensioenfondsen zijn inmiddels al overgestapt op het nieuwe stelsel of hebben de overgang gepland, maar bij verzekeraars is die stap nog niet overal gezet.

Overstappen is noodzakelijk

Volgens het AD zijn tot nu toe zo’n 19.000 bedrijven overgestapt, terwijl ongeveer 36.000 ondernemingen die stap nog moeten maken. Deskundigen waarschuwen voor de gevolgen: als een bedrijf niet uiterlijk in 2028 overstapt, kan de fiscus het pensioenvermogen zien als belastbaar loon, met een forse belastingaanslag tot gevolg.

Het Verbond van Verzekeraars verwacht dat het hierbij mogelijk om honderdduizenden werkenden gaat. Vooral kleinere bedrijven lopen achter. Toch gaat de brancheorganisatie ervan uit dat werkgevers op tijd actie ondernemen en dat werknemers uiteindelijk niet in de problemen komen.

Tempo moet omhoog

Een knelpunt is wel de beschikbaarheid van voldoende adviseurs om werkgevers te begeleiden bij de overstap, erkent Enno Wiertsema, directeur van branchevereniging Adfiz, in het AD. “We zijn nog op tijd, maar het tempo moet wel omhoog. Volgend jaar moet het geregeld zijn.”

Volgens Wiertsema zijn veel ondernemers nog nauwelijks bezig met het nieuwe pensioenstelsel. “Ondernemers zijn druk met hun dagelijkse werkzaamheden. Een nieuwe pensioenregeling wordt vaak gezien als saai en kostbaar. Dat maakt dat het onderwerp makkelijk wordt vooruitgeschoven.”

Pensioenprobleem dreigt voor mkb-werknemers: actie van werkgever hard nodig

 

Werknemers in het midden- en kleinbedrijf doen er verstandig aan om zo snel mogelijk bij hun werkgever na te vragen hoe het zit met hun pensioenregeling. Veel mkb-bedrijven hebben hun regeling namelijk nog niet aangepast aan het nieuwe pensioenstelsel. En dat kan grote gevolgen hebben: als er niets gebeurt, kan dat voor honderdduizenden werknemers leiden tot een forse belastingaanslag.

Het probleem speelt vooral bij bedrijven die hun pensioen hebben ondergebracht bij een verzekeraar. Het grootste deel van de werknemers in Nederland bouwt pensioen op via een pensioenfonds. Deze fondsen zijn al overgestapt op het nieuwe pensioenstelsel of hebben hiervoor al een concrete datum vastgelegd.

Ongeveer 20 procent van de werknemers – met name werkzaam bij mkb-bedrijven – heeft een pensioenregeling via een verzekeraar of premiepensioeninstelling. Ook deze regelingen moeten worden aangepast aan de nieuwe wetgeving. Toch blijkt dat veel werkgevers hier nog nauwelijks mee bezig zijn. Volgens het Verbond van Verzekeraars zijn tot nu toe zo’n 19.000 bedrijven overgestapt, terwijl nog circa 36.000 bedrijven deze stap moeten zetten.

Grote impact op pensioenvermogen

Dat uitstel kan grote financiële gevolgen hebben, waarschuwen deskundigen. Als een werkgever de pensioenregeling niet uiterlijk in 2028 heeft aangepast, beschouwt de Belastingdienst het opgebouwde pensioenvermogen als loon. Dat betekent dat er in één keer belasting moet worden betaald over het volledige bedrag. Hierdoor blijft er aanzienlijk minder over voor het pensioen later. Dit risico geldt voor honderdduizenden werknemers, waardoor tijdig overstappen essentieel is.
Voor mensen die al met pensioen zijn, speelt dit probleem niet. Zij behouden hun pensioenrechten. De fiscale heffing geldt uitsluitend voor pensioen dat nog wordt opgebouwd.

Tijd begint te dringen

Volgens Harold Herbert, directielid van het Verbond van Verzekeraars, moeten werkgevers vaart maken. “Richting de zomer wordt het al krap,” geeft hij aan. Een belangrijke oorzaak is het beperkte aantal gekwalificeerde pensioenadviseurs.
Deze onafhankelijke adviseurs helpen werkgevers bij het vergelijken van mogelijkheden en het kiezen van een passende verzekeraar. Als veel bedrijven wachten tot het laatste moment, ontstaat er een tekort aan adviseurs en lopen zij vast in het proces.
Die oproep wordt gedeeld door Enno Wiertsema, directeur van Adfiz, de branchevereniging van financieel adviseurs. “We kunnen het nog op tijd regelen, maar het tempo moet omhoog. Volgend jaar moet dit echt afgerond zijn,” stelt hij.
Volgens Wiertsema zijn veel ondernemers simpelweg nog niet met het nieuwe pensioenstelsel bezig. “Ondernemers zijn druk met hun dagelijkse werkzaamheden. Pensioen wordt vaak gezien als ingewikkeld, saai en kostbaar. Dat maakt de drempel hoog om ermee aan de slag te gaan.”

Risico op opstoppingen

Veel pensioencontracten lopen af rond de jaarwisseling. Dat moment wordt vaak gezien als logisch om een nieuwe regeling te bespreken. Toch schuilt daar een risico in. “Dan ontstaat er al snel een file,” waarschuwt Wiertsema. “Niet alleen bij adviseurs, maar ook bij verzekeraars.”
Verzekeraars moeten de overstappen immers tijdig administratief verwerken. Herbert verwacht daar overigens minder problemen. “De systemen van verzekeraars zijn al ingericht op het nieuwe pensioenstelsel.”
Daarnaast kost intern overleg binnen bedrijven ook tijd. “Als er een ondernemingsraad is, moet die instemmen met de nieuwe pensioenregeling. Dat proces mag je niet onderschatten,” aldus Wiertsema.

Verzekeraars op zoek naar nieuwe klanten

Verzekeraars zien in de overgang ook kansen. Voor kleinere pensioenfondsen is de overstap naar het nieuwe stelsel vaak complex en kostbaar, bijvoorbeeld door investeringen in IT-systemen. Voor deze fondsen kan het aantrekkelijk zijn om hun pensioenregeling onder te brengen bij een verzekeraar.
Om deze nieuwe klanten wordt momenteel stevig geconcurreerd. Het gaat daarbij om tientallen miljarden euro’s aan pensioenvermogen.

Minister Heinen wil op Prinsjesdag duidelijkheid geven over box 3-heffing

 

Minister Eelco Heinen (Financiën) wil tijdens Prinsjesdag in september duidelijk maken of het nieuwe stelsel voor het belasten van rendement op vermogen in box 3 wordt aangepast. Ook moet dan helder zijn hoe eventuele gevolgen voor de schatkist worden opgevangen.

 

Dat zei de VVD-minister voorafgaand aan de ministerraad. Kort nadat het nieuwe kabinet werd beëdigd, liet Heinen al weten dat hij het box 3-stelsel opnieuw wil bekijken. Dit terwijl de Tweede Kamer er, onder sterke tijdsdruk en met tegenzin, net mee had ingestemd.
Het plan om belasting te heffen over daadwerkelijk behaald rendement inclusief papieren winsten op bijvoorbeeld aandelen leidt tot veel kritiek onder beleggers. Zij vinden dat ze verliezen moeten kunnen verrekenen met eerdere winsten.

Onrust

In een reactie op een reconstructie van NRC, waarin wordt gesteld dat coalitiepartners en zijn eigen ambtenaren verrast waren door zijn snelle uitlatingen, zegt Heinen dat hij dat beeld niet herkent. Hij stelt dat hij “financiële onrust” zag ontstaan en daarom snel moest handelen, zonder uitgebreid overleg. “En dat heb ik gedaan,” aldus de minister.

Hoewel er geen acute paniek op de financiële markten was rond het nieuwe stelsel, dat pas vanaf 2028 zou gelden en waar al jarenlang aan wordt gewerkt, ontstond er op sociale media wel veel rumoer. Daarbij werd volgens Heinen ook veel desinformatie verspreid. Daarnaast was de steun in de Eerste Kamer nog allerminst zeker; de senaat moest de inhoudelijke behandeling namelijk nog starten.

Discussie

De discussie over de hervorming van box 3 speelt al langer. Zo meldde het FD eind februari dat ook Nederlandse start-ups en scale-ups zich zorgen maken over de vermogensaanwasbelasting die mogelijk in 2028 wordt ingevoerd. Zij vrezen dat medewerkers en vroege investeerders belasting moeten betalen over aandelen die ze niet zomaar kunnen verkopen.

Veel beleggers vinden dat Nederland, net als andere landen, beter kan kiezen voor een vermogenswinstbelasting waarbij je pas bij verkoop afrekent met de fiscus. Volgens een recente analyse van het FD zou ook een lager belastingtarief een deel van de bezwaren kunnen verzachten.

Kabinet schrapt groot deel van nieuwe zzp‑wet

 

Het kabinet heeft besloten om, zoals eerder afgesproken in het coalitieakkoord, een groot deel van de nieuwe wet Vbar (Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden) te laten vervallen. Deze wet moest bepalen welk werk door zelfstandige ondernemers kan worden uitgevoerd. In plaats daarvan komt er een nieuw wetsvoorstel dat zelfstandigen die bewust voor het zzp‑schap kiezen meer zekerheid moet geven.

Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) heeft dit aan de Tweede Kamer laten weten. Eén onderdeel van de Vbar blijft wél bestaan: het voorstel dat zelfstandigen met een uurtarief onder de 38 euro helpt om eenvoudiger een dienstverband af te dwingen. Aartsen wil dat deel versneld invoeren, zodat de positie van deze kwetsbare groep snel wordt verbeterd.

Onrust bij zelfstandigen en opdrachtgevers

De eerdere Vbar‑plannen zorgden voor veel onzekerheid bij zowel zzp’ers als opdrachtgevers. De voorwaarden voor het inhuren van zelfstandigen zouden namelijk flink worden aangescherpt, waardoor werkgevers het risico liepen op boetes of naheffingen als ze onbedoeld buiten de regels vielen. Aartsen wil die onrust wegnemen, om te voorkomen dat opdrachten onnodig verdwijnen.

Als Kamerlid had Aartsen al een initiatiefvoorstel ingediend. Dat vormt nu de basis voor de nieuwe wet waar het kabinet aan werkt. De plannen moeten nog worden goedgekeurd in Brussel. De hervorming van de arbeidsmarkt is bovendien een voorwaarde voor het ontvangen van middelen uit het Europese coronaherstelfonds.

Zorgen over schijnzelfstandigheid

Volgens het FD ervaren werkgevers steeds meer druk door de actieve handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst en door stijgende kosten voor de inhuur van uitzendkrachten. Hierdoor wordt het steeds lastiger om een flexibele schil te behouden. Werkgeversvereniging AWVN waarschuwt dat de verhoudingen op de arbeidsmarkt uit balans raken.

De AWVN, betrokken bij het merendeel van de ruim zevenhonderd Nederlandse cao’s, roept het kabinet-Jetten daarom op om snel werk te maken van het versoepelen van contracten voor onbepaalde tijd.

Dga’s keren massaal dividend uit om belastingverhoging voor te zijn

Directeur-grootaandeelhouders konden jarenlang belastingheffing uitstellen door slim te plannen met dividenduitkeringen of te lenen van hun eigen bv. Met de komst van het tweeschijvenstelsel in box 2 (2024) en de Wet excessief lenen (2023) is dat minder aantrekkelijk geworden. Volgens onderzoekers, die hierover schrijven in Economische Statistische Berichten (ESB), hebben dga’s hun gedrag hierdoor op grote schaal aangepast.

Strategisch gedrag door nieuw box 2-stelsel

Het vernieuwde box 2-stelsel speelt hierin een belangrijke rol. Tot 2023 gold één uniform tarief, maar sinds 2024 wordt dividend tot €67.000 belast tegen 24,5% en daarboven tegen 33%. Dga’s die regelmatig grotere bedragen uitkeren, hadden er daardoor belang bij om dividend nog in 2023 uit te betalen tegen het oude tarief van 26,9%.

Dividenduitkeringen meer dan verdubbeld

Die anticipatie is duidelijk terug te zien in de cijfers. In 2023 steeg het totale uitgekeerde dividend fors en verdubbelde het gemiddelde uitgekeerde bedrag zelfs. Vooral een relatief kleine groep dga’s met hoge winsten in hun bv zorgde voor deze piek. Tussen 2013 en 2023 kwam het totaal aan uitgekeerd dividend uit op ongeveer €115 miljard, waarbij piekjaren samenvielen met fiscale wijzigingen.

Effect van de regels rondom lenen van de eigen bv

Ook de nieuwe regels voor lenen uit de bv zorgden voor een vergelijkbare reactie. Vanaf 2023 mogen dga’s nog maar tot een bepaald maximum lenen zonder belastingheffing. Alles daarboven wordt belast als box 2-inkomen. In aanloop naar die wijziging losten dga’s in 2023 bijna €5 miljard aan leningen af, ruim twee keer zoveel als een jaar eerder. Voor het eerst in jaren daalde het totale leenbedrag omdat er meer werd afgelost dan nieuw geleend. Opvallend is dat er nog steeds miljarden aan leningen boven de toegestane grens uitstaan. Sommige dga’s kiezen er bewust voor om hierover box 2-belasting te betalen, bijvoorbeeld omdat de lening fiscaal gunstig blijft in box 3 of gekoppeld is aan de eigen woning.

Fiscale prikkels blijven bepalend

De onderzoekers concluderen dat dga’s sterk reageren op fiscale prikkels. Door de timing van dividend en leningen aan te passen, kunnen zij hun belastingdruk beïnvloeden. Dat zorgt soms voor pieken in belastingopbrengsten, maar leidt ook tot uitstel of lagere inkomsten op de langere termijn.
De verwachting is dat de nieuwe regels een blijvende impact zullen hebben. Het tweeschijvenstelsel maakt het aantrekkelijker om jaarlijks een beperkt bedrag aan dividend uit te keren, wat waarschijnlijk leidt tot stabielere belastingopbrengsten. Tegelijkertijd wordt het lastiger om belasting te blijven uitstellen via leningen.

Werkelijk rendement in box 3: in 2025 lang niet altijd de voordeligste keuze

 

Moet je belasting betalen op basis van het forfaitaire rendement of over het werkelijk rendement? Vanaf aangiftejaar 2025 maak je deze keuze direct in je aangifte. Veel mensen hebben inmiddels gerekend en komen tot de conclusie dat het forfaitaire rendement dit jaar vaak juist gunstiger is.

 

Wat valt onder “werkelijk rendement”?

Na een uitspraak van de Hoge Raad is de wet aangepast. Vanaf nu mag je kiezen voor belastingheffing over het werkelijke rendement, maar alleen als dat voor jou voordeliger uitpakt. Voor de jaren 2017 t/m 2024 gebruikt de Belastingdienst nog aparte formulieren, maar vanaf 2025 kies je direct in je aangifte tussen forfaitair of werkelijk rendement.
De wet volgt de uitleg van de Hoge Raad. Daardoor is “werkelijk rendement” breder dan veel mensen denken: het gaat om het totale rendement dat je in een jaar op je vermogen behaalt.
Dat betekent dat:

  • rente, huur en dividend meetellen
  • zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardestijgingen meetellen
  • kosten niet aftrekbaar zijn
  • betaalde rente wél aftrekbaar is
  • verliezen niet verrekend mogen worden
  • er geen heffingsvrij vermogen is

Voor wie is de keuze relevant?

Wie de rekensom maakt, ziet dat het forfaitaire rendement in 2025 vaak gunstiger is. Dat komt vooral door:

  • het forfaitaire rendement voor overige bezittingen (bijv. beleggingen) is 5,88%
  • het werkelijke rendement van bijvoorbeeld woningen en beursgenoteerde aandelen in 2025 vaak hoger lag dan 5,88% (hoewel dit per situatie verschilt)
  • bij werkelijk rendement verdwijnt het heffingsvrije vermogen volledig

Vooral voor mensen met kleinere tot middelgrote vermogens werkt dat laatste nadelig. Daardoor wijkt de uitkomst soms af van wat je op basis van de rendementen zou verwachten.
Zelfs met een lage spaarrente en bescheiden rendementen op beleggingen blijkt werkelijk rendement dus lang niet altijd voordeliger.
Heb je per ongeluk gekozen voor werkelijk rendement terwijl dit ongunstiger uitpakt? Geen paniek: de belastingdruk zal nooit hoger zijn dan die van het forfaitaire systeem.

Het nieuwe box 3‑stelsel vanaf 2028

Vanaf 2028 verandert box 3 opnieuw. Kosten worden dan wél aftrekbaar, maar tegelijkertijd wordt belasting geheven over het werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde waardeveranderingen. Voor vastgoed en start‑ups/scale‑ups geldt een uitzondering.
Omdat er straks geen keuzemogelijkheid meer is, zullen beleggers in jaren met hoge rendementen waarschijnlijk nog met enige weemoed terugdenken aan het oude box 3‑stelsel.

Conclusie

Het idee dat werkelijk rendement vrijwel altijd voordeliger zou zijn, klopt maar beperkt. Ook voor mensen met een bescheiden vermogen die vooral beleggen om hun vermogen te behouden, is werkelijk rendement zeker geen automatische verbetering.

Ondernemers ervaren kwijtschelding coronabelastingen als oneerlijk

 

Steeds meer ondernemers voelen zich tekortgedaan nu blijkt dat een deel van hun collega’s de tijdens de coronaperiode opgebouwde belastingschuld kwijtgescholden krijgt. Zij pleiten daarom voor een compensatieregeling vanuit de Belastingdienst.

 

Dat meldt het Financieele Dagblad (FD), dat sprak met de Utrechtse modeondernemer Daan Broekman. Hij voldeed tijdens de coronacrisis aan al zijn belastingverplichtingen, maar ziet nu dat andere ondernemers hun coronaschulden niet hoeven terug te betalen. Volgens Broekman is dit oneerlijke concurrentie. Om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, moest hij in die periode zijn spaargeld aanspreken.

Het FD schrijft dat het aantal ondernemers dat zich bij de Belastingdienst meldt met een verzoek om compensatie toeneemt. Zij vragen om teruggave van betaalde omzetbelasting en loonheffingen uit de coronatijd, of van bedragen die later alsnog zijn terugbetaald. Broekman heeft inmiddels zelf een compensatieverzoek ingediend bij zijn regionale belastingkantoor en roept andere ondernemers op hetzelfde te doen, of zich te wenden tot hun branchevereniging of inkooporganisatie.

Modelbrief

Brancheorganisatie Inretail heeft op haar website een modelbrief geplaatst waarmee winkeliers compensatie kunnen aanvragen voor betaalde omzetbelasting en loonheffingen tijdens de coronaperiode. Volgens het FD hoopt Inretail dat er een compensatieregeling komt wanneer voldoende ondernemers een dergelijk verzoek indienen. De modelbrief is tot nu toe ongeveer zeventig keer gedownload.

De Belastingdienst kan niet aangeven hoeveel bedrijven inmiddels kwijtschelding van hun belastingschuld hebben gekregen, zo meldt het FD. Voor kwijtschelding is een saneringsakkoord met schuldeisers vereist, waarbij zij instemmen met het laten vallen van een deel van de schuld. In totaal hebben ruim twaalfduizend bedrijven een saneringsverzoek ingediend. Daarbij wordt ook gekeken naar de levensvatbaarheid van het bedrijf.

Weinig kans

Advocaat Steven Effting van Dirkzwager acht de kans op succes voor deze ondernemers klein. Tegenover het FD stelt hij dat ondernemers die nu compensatie eisen, eerder actie hadden moeten ondernemen. “Wie daar te laat mee komt, grijpt achter het net,” aldus Effting.

Volgens hem is het bovendien weinig kansrijk om hier op dit moment nog met succes over te procederen.

Nieuw kabinet wil regeldruk voor ondernemers verminderen

 

Het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA lijkt positief uit te pakken voor ondernemers, zo concluderen werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland. Op 30 januari jl. presenteerden de drie partijen hun akkoord voor de periode 2026–2030, onder de titel ‘Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland’.

 

Als minderheidskabinet zullen D66, VVD en CDA voor hun plannen steeds steun moeten zoeken bij oppositiepartijen. Inmiddels hebben diverse politieke partijen en maatschappelijke organisaties hun reactie gegeven op de voorstellen uit het coalitieakkoord.

Hoewel de plannen nog kunnen veranderen, tonen zij volgens de werkgeversorganisaties in ieder geval oog voor de belangen van ondernemers. Zo bevat het akkoord meerdere concrete fiscale maatregelen en wordt ingezet op versterking van het Nederlandse verdienvermogen.

Positieve reacties

VNO-NCW en MKB-Nederland zijn tevreden dat de coalitiepartijen keuzes durven te maken die bijdragen aan een betere veiligheid, een aantrekkelijk investeringsklimaat en het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Volgens de organisaties vraagt de huidige situatie om het doorhakken van knopen in grote dossiers, zoals de energietransitie, stikstofproblematiek, woningbouw en de internationale concurrentiepositie. “Dat is precies wat deze drie partijen nu van plan zijn,” aldus de werkgeversorganisaties.

Zij geven aan graag samen te werken met het nieuwe kabinet en de Tweede Kamer aan oplossingen en het creëren van draagvlak. Positief vinden zij onder meer dat de coalitie doorgaat met het verminderen van regeldruk, blijft investeren in innovatie, infrastructuur en woningbouw, en inzet op het behoud van belangrijke ondernemersregelingen.

Daarnaast waarderen VNO-NCW en MKB-Nederland het streven naar een stabiel fiscaal beleid voor ondernemers. Ook zijn zij te spreken over de “stevige digitale ambities” die in het akkoord worden genoemd.

Sociale zekerheid

Op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid kondigt de coalitie ingrijpende hervormingen aan, waaronder het verkorten van de WW-uitkering tot één jaar. De werkgeversorganisaties hebben begrip voor deze voorstellen, maar erkennen dat dit pijnlijke keuzes met zich meebrengt.

Volgens VNO-NCW en MKB-Nederland is het positief dat de coalitie samen met sociale partners wil werken aan een bredere sociale agenda. Wel zijn zij teleurgesteld dat het coalitieakkoord geen concrete aanpassingen bevat op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte.

Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

 

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen. Ondanks de aanzienlijke weerstand tegen het voorstel, stemde uiteindelijk een ruime meerderheid vóór.

 

Verder uitstel heeft de staatskas inmiddels al miljarden euro’s aan gemiste belastinginkomsten gekost. Bij extra vertraging zouden deze verliezen alleen maar verder oplopen. Het is de bedoeling dat het nieuwe belastingstelsel in 2028 in werking treedt.

Toch is het onzeker hoe lang dit stelsel stand zal houden. Het kabinet dat binnenkort aantreedt, zal vrijwel direct moeten beginnen met een volgende hervorming. De Kamer wil dat vermogenden voortaan pas belasting betalen over gerealiseerde winsten bij verkoop van beleggingen, in plaats van over zogenoemde ‘papieren’ winsten. Een meerderheid verzocht eerder deze week om uiterlijk op Prinsjesdag 2028 met een concreet plan te komen.

Daarnaast is ook een amendement aangenomen waarin is vastgelegd dat het nieuwe stelsel na drie jaar wordt geëvalueerd.

Staatssecretaris verduidelijkt gevolgen massaal bezwaar belastingrente

 

Staatssecretaris Heijnen heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de consequenties van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. In dit arrest is geoordeeld dat het verhoogde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting (Vpb) onverbindend is.

 

In zijn toelichting geeft de Staatssecretaris aan dat de Hoge Raad het verhoogde rentepercentage voor de Vpb buiten toepassing heeft verklaard. Dit betekent dat in alle gevallen waarin belastingrente wordt berekend, het reguliere rentepercentage moet worden toegepast. Voor de vennootschapsbelasting is het massaal bezwaar geregeld in het besluit van 7 februari 2025. Voor de inkomstenbelasting (IB) is het massaal bezwaar vastgelegd in het besluit van 16 april 2025.

Massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting

Naar aanleiding van het arrest is het kabinet van oordeel dat de rechtsvragen die zijn opgenomen in de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente Vpb inmiddels definitief zijn beantwoord. De onderliggende zaak fungeerde als proefprocedure voor deze aanwijzing. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage in strijd is met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel. De overige rechtsvragen uit de aanwijzing die betrekking hadden op toetsing aan andere algemene rechtsbeginselen of aan hoger (verdrags)recht zijn door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Op basis van het arrest bestaat daarom geen aanleiding voor aanvullende overwegingen of tegemoetkomingen.

Massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting

Hoewel voor de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente IB geen proefprocedure was aangewezen, acht de Staatssecretaris ook deze rechtsvragen met het arrest beantwoord. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het reguliere belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of met geschreven hoger recht. Dit rentepercentage is derhalve niet onverbindend. Ook de per 1 januari 2024 ingevoerde wijziging in de berekeningssystematiek van het toepasselijke belastingrentepercentage leidt niet tot een ander oordeel.

De Staatssecretaris neemt hiermee een duidelijk eigen standpunt in, zonder een nadere uitspraak van de Hoge Raad af te wachten. Tegelijkertijd lopen er nog verschillende procedures. Zo is bij de Hoge Raad nog een zaak aanhangig over de rechtmatigheid van de belastingrente in de inkomstenbelasting. In zijn conclusie heeft de Procureur-Generaal aangegeven dat een belastingrente van ten minste 4% op stelselniveau volgens hem niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad moet hierover nog arrest wijzen. Daarnaast loopt er nog een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland.

Collectieve uitspraken op bezwaar en uitvoeringsgevolgen

Op grond van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet, zodra de rechtsvragen uit een aanwijzing massaal bezwaar definitief zijn beantwoord, binnen zes weken een collectieve uitspraak op bezwaar worden gedaan. Met deze collectieve uitspraak beslist de inspecteur op alle bezwaren waarop de aanwijzing massaal bezwaar van toepassing is.

De inspecteur zal twee afzonderlijke collectieve uitspraken doen. De eerste ziet op het massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting. De bezwaren die onder deze aanwijzing vallen, zullen bij collectieve uitspraak gegrond worden verklaard. De tweede collectieve uitspraak betreft het massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting. De bezwaren waarop deze aanwijzing van toepassing is, zullen ongegrond worden verklaard. Tegen een collectieve uitspraak staat geen beroep open.

Uiterlijk op 26 februari 2026 worden beide collectieve uitspraken gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. Binnen zes maanden na deze publicatie zullen de rentebeschikkingen waarin het verhoogde percentage is toegepast en die onder de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting vallen, worden verminderd. De belastingrente wordt daarbij herberekend op basis van het toepasselijke reguliere percentage. Openstaande verzoeken tot herziening van belastingrente die is vastgesteld bij een voorlopige aanslag worden toegewezen, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De Belastingdienst heeft momenteel circa 30.000 van dergelijke bezwaren en verzoeken in behandeling.

De rentepercentages zijn inmiddels verwerkt in de IT-systemen van de Belastingdienst. Nieuwe beschikkingen belastingrente worden daarom berekend met toepassing van het juiste, reguliere percentage.

Concreet

In de praktijk betekent dit dat in bepaalde situaties nog steeds bezwaar moet worden gemaakt of een verzoek tot herziening van de belastingrente bij een voorlopige aanslag Vpb moet worden ingediend. Voor een overzicht van deze situaties wordt verwezen naar de website van de Belastingdienst, onder het kopje “Kan ik nog bezwaar maken tegen een aanslag vennootschapsbelasting met belastingrente?”. Waar in dit overzicht wordt gesproken over een aanslag vennootschapsbelasting, dient daaronder ook een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting te worden begrepen.

Het kan voorkomen dat al een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag Vpb is ingediend voordat een combinatiebrief kon worden verstuurd. Indien op dat verzoek een afwijzende beschikking is gegeven, eindigt de bezwaartermijn op de dag van dagtekening van de definitieve aanslag Vpb. Ligt de dagtekening van de afwijzende beschikking binnen zes weken vóór de dagtekening van de definitieve aanslag, dan eindigt de bezwaartermijn zes weken na de dagtekening van de afwijzende beschikking. Zo eindigt bijvoorbeeld de bezwaartermijn op 23 februari 2026 indien de afwijzende beschikking is gedagtekend op 12 januari 2026 en de definitieve aanslag Vpb is opgelegd op 14 januari 2026.

Met het doen van de collectieve uitspraken op bezwaar komt tevens een einde aan de massaal bezwaarprocedure voor de belastingrente. Bezwaarschriften die daarna worden ingediend, zullen individueel door de inspecteur worden behandeld en vereisen, indien nodig, een individueel beroep. Het is daarom raadzaam om met de cliënt te bespreken of deze route nog wenselijk is en deze keuze schriftelijk vast te leggen. Daarbij merken wij op dat wij de kans gering achten dat de Hoge Raad het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en de overige belastingen die zijn genoemd in het besluit massaal bezwaar van 16 april 2025 alsnog onverbindend zal verklaren. Dit oordeel baseren wij op de overwegingen ten overvloede in het arrest van 16 januari 2026 en op de eerdergenoemde conclusie van de Procureur-Generaal.