Continuïteit onderneming rechtvaardigt verlaging gebruikelijk loon

De enkele omstandigheid dat betaling van het gebruikelijke loon tot een verlies leidt, vormt op zichzelf geen zakelijke reden om het loon te verlagen. Wanneer echter sprake is van een structurele verliessituatie waarbij uitbetaling van het eerder vastgestelde gebruikelijke loon de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt, kan een verlaging wél gerechtvaardigd zijn. Dat oordeelt het gerechtshof Den Haag.

Achtergrond van de zaak

De BV in kwestie houdt zich bezig met de in- en verkoop van edelmetalen, het verpanden van edelmetalen en registergoederen en de bewerking van edelmetalen. De dga is zowel enig aandeelhouder als enig werknemer. In januari 2023 doet de BV aangifte loonheffingen naar een belastbaar loon van € 48.000. Omdat betaling uitblijft, legt de inspecteur een naheffingsaanslag op voor dit bedrag plus een verzuimboete. Na bezwaar verlaagt de inspecteur het belastbare loon tot € 25.000.

De BV is het daarmee niet eens en stapt naar de rechtbank Den Haag. Die stelt het gebruikelijke loon verder omlaag vast op € 7.500, omdat betaling van een hoger loon de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. De inspecteur gaat daarop in hoger beroep bij het hof Den Haag.

Wettelijk kader en parlementaire geschiedenis

Het hof wijst op artikel 12a Wet LB: het gebruikelijke loon bedraagt in beginsel minimaal € 48.000 (voor 2022). Een lager loon is mogelijk als aannemelijk wordt gemaakt dat in vergelijkbare dienstbetrekkingen een lager loon gebruikelijk is.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een slechte financieel‑economische positie aanleiding kan zijn om het gebruikelijke loon te verlagen. De wetgever heeft bij de parlementaire behandeling overwogen dat verlaging zakelijk is wanneer betaling van het loon de continuïteit van de onderneming zou bedreigen.

Onmiddellijke bedreiging van de continuïteit

Het hof stelt vast dat betaling van een loon van € 25.000 in 2022 zou hebben geleid tot onmiddellijke discontinuïteit. De BV beschikte niet over voldoende liquiditeiten; om het loon te kunnen betalen, zouden voorraden of bedrijfsmiddelen moeten worden verkocht. Daardoor zou het noodzakelijke ondernemingskapitaal verdwijnen.

Dat de onderneming op dat moment nog niet structureel verlieslatend was, doet volgens het hof niet ter zake. Doorslaggevend is de vraag of uitbetaling van het loon de bedrijfsvoering direct onder druk zet. De stelling van de inspecteur dat alleen hoeft te worden gekeken of voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om de loonheffing af te dragen, vindt het hof in strijd met de parlementaire toelichting.

Financiële onderbouwing door de BV

De BV wijst op de zeer beperkte winsten in de jaren 2019–2021, de verliezen vanaf 2022 en haar beperkte eigen vermogen. De dga heeft zich in deze periode geen loon uitbetaald en ook op geen andere wijze gelden aan de BV onttrokken. Het hof acht aannemelijk dat het schaarse eigen vermogen – inclusief een eenmalige coronasteun in 2021 – noodzakelijk was voor voortzetting van de onderneming, onder meer voor de aankoop van voorraden en investeringen in bedrijfsmiddelen.

Daarnaast speelde mee dat de verhuurder van het winkelpand de huur eind 2024 wilde beëindigen, waarna de BV heeft besloten de onderneming in 2025 te staken.

Rol van latere feiten

Het hof benadrukt dat feiten na 31 december 2022 in principe geen rol spelen bij de toepassing van artikel 12a Wet LB. Toch moet de inspecteur bij zijn besluitvorming wél onder ogen zien dat de onderneming ook daarna verliesgevend bleef en in 2025 – afgezien van een leegverkoop – is gestaakt.

Eindoordeel

Het hof concludeert dat de BV heeft voldaan aan haar bewijslast: het door de inspecteur aangenomen gebruikelijke loon van € 25.000 is te hoog vastgesteld. De rechtbank heeft het loon terecht verlaagd tot € 7.500.

Maar een derde van bedrijven is voorbereid op fraude

Steeds meer organisaties investeren in fraudebeleid, risicoanalyses en gedragscodes. Toch blijkt slechts een derde van de private ondernemingen goed voorbereid te zijn op fraude‑incidenten. Dat blijkt uit de nieuwste editie van het jaarlijkse onderzoek van BDO naar trends en ontwikkelingen op het gebied van non‑compliance. Het onderzoek is uitgevoerd door BDO Forensics & Technology in samenwerking met BDO Audit & Assurance en gebaseerd op een enquête onder honderden organisaties in zowel de private als publieke sector.

Volgens BDO hoort het voorkomen en beheersen van fraude-, corruptie- en integriteitsrisico’s hoog op de agenda te staan. Geen enkele sector is immuun voor dergelijke risico’s. Goed bestuur en verantwoord ondernemerschap vragen om bewuste aandacht voor compliance, risicobeheersing en ethisch handelen.

Positieve ontwikkeling, maar voorbereiding blijft achter

Het onderzoek, inmiddels voor de vijfde keer uitgevoerd, laat een gestage positieve ontwikkeling zien. Steeds meer organisaties investeren in fraudebeleid, risicoanalyses en gedragscodes. Zowel binnen de publieke als private sector neemt het aantal organisaties dat deze zaken op orde heeft toe, al loopt de publieke sector daarbij duidelijk voor op het bedrijfsleven.

Toch blijft de daadwerkelijke voorbereiding op incidenten achter. Slechts 34% van de private organisaties geeft aan voldoende voorbereid te zijn wanneer zich fraude voordoet. In de publieke sector ligt dit percentage met 47% hoger, maar nog steeds is er sprake van een aanzienlijk tekort. Een ruime meerderheid beschikt niet over een adequaat frauderesponsplan, waardoor de impact van een incident groter kan uitvallen dan noodzakelijk.

Controle op ongebruikelijke transacties

BDO vroeg dit jaar ook in hoeverre organisaties controleren op ongebruikelijke transacties, dus transacties die afwijken van de reguliere bedrijfsvoering. Dit gebeurt echter maar mondjesmaat: slechts 21% van de private organisaties en 11% van de publieke instellingen houdt hier actief toezicht op.

Cyberrisico’s blijven groot

Ook op het gebied van cyberweerbaarheid zijn er zorgen. Organisaties schatten hun kwetsbaarheid voor cyberaanvallen hoger in dan vorig jaar, terwijl de risico’s onverminderd groot blijven. De afhankelijkheid van digitale gegevensverwerking maakt dat cyberincidenten een steeds grotere bedreiging vormen.

Het volledige onderzoeksrapport is te downloaden via de website van BDO.

EU-landen bereiken akkoord over digitale euro

 

Op 19 december hebben de EU-lidstaten een akkoord bereikt over de invoering van een digitale euro. De daadwerkelijke introductie laat echter nog op zich wachten: op zijn vroegst in 2029. Eerst moet het Europees Parlement instemmen, waarna de lidstaten en het Parlement samen tot een definitief besluit moeten komen.

 

Het akkoord volgde op een voorstel dat de Europese Commissie in juni 2023 presenteerde. Nederland heeft in de onderhandelingen sterk ingezet op strenge privacyvoorwaarden, niet-programmeerbaarheid en de mogelijkheid om de digitale euro offline te gebruiken. Volgens het ministerie van Financiën zijn deze punten nu stevig verankerd in de ontwerpverordening. Daarnaast heeft Nederland erop aangedrongen dat de kosten voor winkeliers laag blijven.

Digitale euro

De digitale euro wordt een digitale variant van contant geld die wordt uitgegeven door de Europese Centrale Bank (ECB). Het vormt een extra betaalmiddel naast banktegoeden en fysiek contant geld, waarbij gebruik niet verplicht is. Burgers zullen voor digitale euro’s bij hun bank een aparte rekening kunnen openen. Betalen kan via de bankapp, een app van de ECB of een speciale betaalkaart.

Online en offline betalen

Er komen twee varianten: een online en een offline digitale euro. De online versie kent een vergelijkbaar privacyniveau als bestaande digitale betaalmethoden, zoals pinnen of betalen met de mobiele telefoon. De offline variant biedt meer privacy en werkt bijvoorbeeld door twee telefoons dicht bij elkaar te houden. Hierdoor zijn betalingen ook mogelijk bij internetstoringen, stroomuitval of wanneer banksystemen tijdelijk niet beschikbaar zijn.

Winkeliers worden verplicht om digitale euro’s te accepteren. Als zij nu pinbetalingen toestaan, moeten zij ook betalingen met de digitale euro accepteren. Het ministerie van Financiën benadrukt dat dit voor Nederlandse winkeliers in de eerste jaren niet duurder zal zijn dan bestaande betaalmethoden en dat er ook op langere termijn maatregelen zijn om hoge kosten te voorkomen.

Niet bedoeld om te sparen

De digitale euro is bedoeld als betaalmiddel en niet om vermogen op te bouwen. Daarom wordt er een aanhoudingslimiet ingesteld: gebruikers kunnen maar een beperkt aantal digitale euro’s aanhouden. Net als contant geld levert een digitale euro geen rente op. Daarnaast hebben de EU-landen unaniem vastgelegd dat de digitale euro – of de technologie erachter – niet programmeerbaar mag zijn. Het gebruik kan dus niet worden gekoppeld aan specifieke bestedingsdoelen.

Kosten

Standaarddiensten zoals het openen of sluiten van een digitale-eurorekening en het doen van betalingen worden kosteloos voor consumenten. De ontwikkeling en het beheer van het systeem brengen echter wel kosten met zich mee. De Europese Centrale Bank neemt een deel van de kosten van het betalingsverkeer op zich. Banken, betaaldienstverleners en winkeliers leveren eveneens een bijdrage. In de beginjaren worden winkeliers beschermd tegen hogere tarieven. Zodra duidelijk is wat de feitelijke kosten voor banken en betaaldienstverleners zijn, worden de tarieven daarop aangepast.

NOAB luidt de noodklok over box 3-wetgeving

De Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen (NOAB), waarbij meer dan duizend administratie- en belastingadvieskantoren zijn aangesloten, slaat alarm over de huidige box 3-wetgeving. Uit een onderzoek onder de leden blijkt dat de systematiek leidt tot onrechtvaardige belastingheffing, ingewikkelde rekenschema’s, een hoge administratieve belasting en verplichtingen die in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar zijn voor burgers én adviseurs.

 

NOAB-leden constateren dat de feitelijke belastingdruk – mede door de afbouw van inkomensafhankelijke heffingskortingen – voor veel belastingplichtigen aanzienlijk hoger uitvalt dan het nominale tarief van 36 procent. Vooral mensen met lagere inkomens worden hierdoor relatief zwaar getroffen. Volgens de organisatie zorgt dit voor “onbegrip en wantrouwen richting het belastingstelsel”.

Vastgoed

Een belangrijk knelpunt is de verplichte belastingheffing vanaf 2026 over vastgoed dat uitsluitend ter beschikking staat, ook wanneer er geen sprake is van gebruik of rendement, zoals bij leegstand of na overlijden. De bevraagde adviseurs ervaren deze systematiek als onredelijk en in strijd met het uitgangspunt dat belasting wordt geheven over werkelijk inkomen.

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de combinatie van het kasstelsel en de jaarlijkse keuze tussen forfaitair en werkelijk rendement ongewenste timing- en stuurmogelijkheden creëert. Tegelijkertijd vinden leden het systeem te technisch en te wisselend voor gewone belastingplichtigen om goed te kunnen begrijpen.

Uitvoerbaarheid onder druk

Veel respondenten maken zich zorgen over de toenemende complexiteit van waarderingen, bijvoorbeeld bij familieleningen, schulden en valutaposities. Voor veel belastingplichtigen is deze regelgeving in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar, terwijl de administratieve lasten blijven toenemen.

Met het oog op 2028 – wanneer het werkelijk rendement voor alle belastingplichtigen leidend wordt – vrezen de NOAB-leden dat de belastingpraktijk nog verder onder druk komt te staan. Volgens de organisatie dreigt het stelsel “onuitvoerbaar te worden: de belastingplichtige kan het niet meer volgen, de adviseur kan het nauwelijks uitleggen en de Belastingdienst kan het niet adequaat uitvoeren”.

Oproep tot vereenvoudiging

NOAB pleit daarom voor een fundamentele vereenvoudiging van box 3, met duidelijke en praktisch toepasbare regels die aansluiten bij de economische realiteit. De organisatie vraagt om meer rechtszekerheid en een beperking van moeilijk beïnvloedbare ficties, die volgens hen “leiden tot heffing over rendement dat in werkelijkheid niet bestaat”.

Ook heeft de NOAB een overzicht gepubliceerd van de door leden aangedragen knelpunten. Deze kan je hier vinden.

Hoge Raad schrapt minimum van 8% belastingrente voor vennootschapsbelasting

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde minimumpercentage van 8% belastingrente voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Dit percentage mag daarom niet langer worden toegepast.

 

Een bv dient op 27 juni 2023 aangifte vennootschapsbelasting over 2021 in en vermeldt daarin een belastbaar bedrag van € 4.034.204. De inspecteur legt op 15 juli 2023 een voorlopige aanslag op conform de aangifte. Daarbij brengt hij € 90.969 aan belastingrente in rekening over de periode van 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023, berekend tegen het toen geldende minimumpercentage van 8%. De bv maakt bezwaar en stelt dat dit rentepercentage in strijd is met algemene rechtsbeginselen. De kern van het geschil is of de regeling die voor de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage voorschrijft, rechtmatig is.

Selectieve renteverhoging voor vpb-plichtigen

De Hoge Raad benadrukt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en die voor andere belastingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd bij de berekening van belastingrente. Toch schrijft het Besluit belasting- en invorderingsrente voor de vennootschapsbelasting een hoger percentage voor, met een minimum van 8%. Volgens de Hoge Raad ontbreekt hiervoor een redelijke rechtvaardiging.

Het argument dat dit percentage is gebaseerd op de wettelijke rente voor handelstransacties gaat niet op, omdat een nog niet geformaliseerde belastingschuld geen handelsvordering vormt. Ook het standpunt dat belastingplichtigen de rente kunnen vermijden door tijdig aangifte te doen of een voorlopige aanslag aan te vragen, is onvoldoende. Ook een vermijdbare maatregel mag namelijk niet onevenredig uitpakken.

Strijd met evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

Volgens de Hoge Raad dient het hogere rentepercentage vooral een budgettair doel. Dat kan echter niet rechtvaardigen dat uitsluitend vpb-plichtigen een aanzienlijk hogere belastingrente verschuldigd zijn. Het zonder geldige reden opleggen van extra lasten aan één specifieke groep is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en botst bovendien met het gelijkheidsbeginsel. Daarom is de bepaling die het minimumpercentage van 8% voorschrijft onverbindend en moet deze buiten toepassing blijven. In dit geval moet de belastingrente worden berekend volgens het algemene percentage van 4%.

Zelfstandige Uber‑chauffeurs zijn volgens het hof ondernemers

 

Chauffeurs die als zzp’er voor taxidienst Uber rijden, mogen worden aangemerkt als zelfstandige ondernemers en niet als werknemers. Dat heeft het gerechtshof Amsterdam beslist in het hoger beroep dat was ingesteld door Uber en zes chauffeurs. Daarmee komt een einde aan een langdurige juridische strijd over vermeende schijnzelfstandigheid.

Deze uitspraak staat haaks op het oordeel van de rechtbank Amsterdam uit 2021. Die bepaalde destijds dat Uber de chauffeurs in dienst moest nemen en dat zij onder de cao Taxivervoer vallen. Het gerechtshof schortte de naleving van die cao echter op totdat er een definitieve uitspraak zou zijn—die nu dus is gedaan.

Belangrijke overwegingen van het hof

Het gerechtshof oordeelt dat de zes betrokken chauffeurs daadwerkelijk als ondernemers opereren. De vorderingen van vakbond FNV, die stelde dat alle Uber‑chauffeurs of groepen chauffeurs als werknemers moeten worden beschouwd, zijn afgewezen. Het hof noemt een aantal factoren die daarbij zwaar wogen:

  • de omvang van de investeringen die chauffeurs zelf doen, zoals de aanschaf van een auto;
  • \de vrijheid om zelf te bepalen wanneer en hoeveel zij werken;
  • de mogelijkheid om ritten te accepteren of af te wijzen en daarmee invloed uit te oefenen op hun inkomsten;
  • het ondernemingsrisico dat chauffeurs dragen, bijvoorbeeld inzake aansprakelijkheid of arbeidsongeschiktheid.

Discussie over werknemersstatus

FNV startte de zaak omdat de bond vindt dat chauffeurs in feite werknemers zijn en daardoor recht zouden moeten hebben op onder meer een passend loon en doorbetaling bij ziekte. Uber stelt juist dat de chauffeurs zelfstandigen zijn en dat dit model behouden moet blijven.

Het hof concludeert dat in deze zaak niet kan worden vastgesteld dat de zes chauffeurs—of groepen chauffeurs—werken op basis van een arbeidsovereenkomst. De vorderingen van FNV worden daarom afgewezen. Wel benadrukt het hof dat niet valt uit te sluiten dat er individuele chauffeurs zijn die wél op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber zouden kunnen werken, afhankelijk van hun specifieke omstandigheden.

Vragen aan de Hoge Raad

Oorspronkelijk zou het gerechtshof al in 2023 uitspraak doen, maar het besloot eerst prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Die vragen gingen onder andere over de rol van ondernemerschap bij het beoordelen van arbeidsovereenkomsten. De Hoge Raad oordeelde dat ondernemerschapscriteria net zo zwaar wegen als andere omstandigheden bij het bepalen of iemand werknemer of zelfstandige is.

Reacties

In Nederland rijden ongeveer 7.000 chauffeurs voor Uber. De Amerikaanse taxidienst noemt de uitspraak een “geweldige overwinning”. Vakbond FNV reageert teleurgesteld, maar geeft aan zich te blijven inzetten voor de belangen van chauffeurs.

Kabinet kan verder met belastingplannen voor 2026

 

Vanaf 1 januari 2026 veranderen diverse belastingen door eerder aangenomen wetsvoorstellen en het Belastingplan 2026. Dit pakket is op 16 december goedgekeurd door de Eerste Kamer.

 

Staatssecretaris Eugène Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) benadrukt dat het demissionaire kabinet belastingmaatregelen blijft aanpassen of schrappen als ze niet effectief blijken. “Tot het aantreden van een nieuw kabinet blijf ik werken aan een beter belastingstelsel,” aldus Heijnen.

Uit evaluaties blijkt dat sommige regelingen niet het gewenste effect hebben of niet efficiënt zijn. Zo wordt het lage tarief in de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor kampeerauto’s versoberd en vervalt het voor paardenvervoer.

Hotels en logies duurder

Het verlaagde btw-tarief voor logies verdwijnt. Vanaf 2026 geldt voor hotelovernachtingen, vakantiewoningen en stacaravans 21 procent btw in plaats van 9 procent. Dit geldt ook voor kortdurende huisvesting (maximaal zes maanden) voor bijvoorbeeld werknemers, studenten, asielzoekers en daklozen.

Zakelijke fiets

Daarnaast verdwijnt een onduidelijkheid in de bijtelling voor zakelijke fietsen: vanaf 2026 hoeft geen 7 procent bijtelling meer betaald te worden als een werknemer de fiets ook privé gebruikt.

Inkomen en ondernemen

Om de terugdraaiing van de btw-verhoging op cultuur, media en sport te financieren, worden de inkomstenbelastingtarieven en heffingskortingen niet volledig geïndexeerd. Hierdoor schuiven belastingplichtigen iets sneller door naar een hogere schijf.

  • Eerste schijf: € 39.357 (was € 38.441)
  • Tweede schijf: € 79.137 (was € 76.817)

De arbeidskorting wordt aangepast: inkomensgrenzen gaan omlaag, waardoor deeltijdwerkers met een inkomen onder het minimumloon meer arbeidskorting krijgen.

Tanken

De accijnskorting op benzine, diesel en LPG blijft tot 1 januari 2027, maar wordt verlaagd. Nieuwe tarieven:

  • Benzine: € 0,84 per liter
  • Diesel: € 0,55 per liter
  • LPG: € 0,20 per liter

Zelfstandigenaftrek

Voor zelfstandigen daalt de zelfstandigenaftrek naar € 1.200. Het vrijgestelde maandbedrag voor vervroegd pensioen stijgt met € 300 bruto, zodat oudere werknemers met zwaar werk eerder kunnen stoppen.

Buitenlandse werknemers

De ETK-regeling voor buitenlandse werknemers wordt versoberd: extra kosten voor levensonderhoud en privégesprekken met het thuisland zijn niet langer belastingvrij.

Vermogen en woning

Binnen de erf- en schenkbelasting worden constructies met ongelijke vermogensverdeling tussen partners aangepakt. Echtgenoten betalen voortaan over de helft van de gemeenschap van goederen belasting, ook bij papieren verdelingen. De aangiftetermijn voor erfbelasting wordt verruimd van 8 naar 20 maanden.

De lastenverzwaring in box 3 is teruggedraaid. In plaats daarvan wordt de Wet Hillen versneld afgebouwd: de belastingkorting voor mensen met een (bijna) afgeloste hypotheek verdwijnt in 2041 in plaats van 2048.

Wie in 2026 een tweede woning koopt, betaalt minder overdrachtsbelasting: het tarief daalt van 10,4 naar 8 procent.

Klimaat en auto

Het kabinet wil vergroening van het wagenpark stimuleren. Het verlaagde bpm-tarief voor emissievrije auto’s gaat ook gelden voor emissievrije motoren en speciale voertuigen zoals kampeerauto’s en rolstoelvervoer. Tegelijk worden bpm-tarieven aangepast om brandstofauto’s zuiniger te maken.

De korting op de bijtelling voor emissieloze auto’s van de zaak wordt met twee jaar verlengd. Om dit te bekostigen, wordt de youngtimerregeling versoberd: vanaf 2027 geldt deze alleen voor auto’s van 25 jaar of ouder.

Voor vrachtwagens tussen 3.500 en 12.000 kg komt per 1 juli 2026 een vrachtwagenheffing in plaats van mrb. Hoe schoner en lichter het voertuig, hoe lager het tarief per kilometer. Voor zwaardere vrachtwagens daalt de mrb.

Bedrijven gaan belasting betalen over een groter deel van hun drinkwatergebruik: het heffingsplafond stijgt van 300 naar 50.000 kubieke meter. Daarnaast wordt een CO₂-heffing ingevoerd voor bepaalde goederen van buiten de EU, zoals ijzer, staal en aluminium.

Crypto en belastingontduiking

Vanaf 2026 moeten crypto-aanbieders persoonsgegevens en transactiegegevens van klanten verzamelen en uiterlijk 31 januari 2027 rapporteren aan de Belastingdienst. Zo kan beter worden gecontroleerd of crypto’s correct zijn opgegeven in de aangifte. De wet wordt begin 2026 behandeld en werkt terug tot 1 januari 2026.

Eerste Kamer stemt in met versobering youngtimerregeling

 

Ondanks stevige kritiek vanuit de autobranche heeft ook de Eerste Kamer ingestemd met een ingrijpende versobering van de youngtimerregeling. Vanaf 2027 komen auto’s pas in aanmerking voor bijtelling over de dagwaarde als ze minimaal 25 jaar oud zijn. Nu ligt die grens nog op 15 jaar.

 

Tegenstanders spraken van een ‘overval’, omdat het voorstel eind november werd gepresenteerd en aanvankelijk al per januari 2026 zou ingaan. Autobedrijven die youngtimers verkopen, vreesden daardoor forse schade. Na aanpassing van het plan blijft de huidige regeling in 2026 nog van kracht, maar in 2027 gaat de leeftijdsgrens in één keer naar 25 jaar.

Wat verandert er?

Youngtimers moeten vanaf 2027 minimaal 25 jaar oud zijn om in aanmerking te komen voor de gunstige bijtelling. Die blijft 35 procent van de waarde in het economisch verkeer, in plaats van 22 procent van de cataloguswaarde inclusief btw en bpm. Auto’s jonger dan 25 jaar vallen onder de reguliere bijtellingsregels. Er komt geen overgangsregeling.

De maatregel treft vooral kleine ondernemers en zzp’ers, die de afgelopen jaren profiteerden van de regeling om een grotere, oudere auto zakelijk te rijden tegen aantrekkelijke voorwaarden. Naar verwachting zullen veel ondernemers hun youngtimer verkopen. Het extra jaar uitstel biedt ruimte voor een doorrekening door het Centraal Planbureau (CPB).

Lagere bijtelling voor elektrische auto’s

De opbrengst van deze versobering wordt ingezet om zakelijk elektrisch rijden te stimuleren. De bijtelling voor EV’s gaat in 2026 niet naar 22 procent, zoals gepland, maar naar 18 procent. Daarna volgt een tussenstap van 20 procent in 2028, waarna het reguliere tarief van 22 procent geldt.

Daarnaast komt er een ‘pseudo-eindheffing’ voor zakelijk gereden brandstofauto’s. Deze maatregelen, onderdeel van het Belastingplan 2026, moeten het gebruik van elektrische bedrijfsauto’s verder bevorderen. Uit recente verkoopcijfers blijkt dat deze trend al zichtbaar is. Tegelijk blijft de zorg bestaan dat veel zakelijke EV’s na de leaseperiode naar het buitenland verdwijnen, in plaats van beschikbaar te komen voor particulieren.

Belastingplan 2026

De Eerste Kamer besprak het Belastingplan 2026 op 15 en 16 december en stemde uiteindelijk in met het volledige pakket aan fiscale maatregelen van het demissionaire kabinet-Schoof.

Kabinet schrapt en vereenvoudigt 218 regels voor ondernemers

 

Het kabinet wil vóór de zomer van 2026 de regeldruk voor ondernemers fors verminderen. Van de circa vijfhonderd regels die op de lijst staan, zijn inmiddels 218 regels geïdentificeerd die worden geschrapt, vereenvoudigd of al zijn aangepast.

 

Minister Karremans van Economische Zaken maakte dit bekend tijdens de OndernemersTop in Amersfoort en lichtte de aanpak toe in een brief aan de Tweede Kamer. Volgens Karremans zorgen de vele regels, papierwerk en tegenstrijdige verplichtingen ervoor dat ondernemen in Nederland onnodig ingewikkeld is. “De reflex van de overheid is om risico’s weg te managen met regels, vaak tot ver achter de komma,” aldus de minister. “Daardoor verliezen veel ondernemers de lust om te ondernemen. Dat verstikt ons ondernemingsklimaat en ons verdienvermogen. Snoeien in regeldruk is daarom essentieel.”

Hoe worden regels aangepakt?

Sinds september brengen ministeries samen met ondernemers en brancheorganisaties regels in kaart die onnodige lasten veroorzaken. Daarbij is gebruikgemaakt van signalen van ondernemers en brancheorganisaties, onderzoeken bij mkb-indicatorbedrijven in negen sectoren, adviezen van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) etc.
Dit heeft geleid tot een lijst van 218 regels die nu door de verantwoordelijke ministeries worden aangepakt. Voorbeelden:

  • Geen jaarlijkse mobiliteitsrapportage voor bedrijven tot 250 medewerkers (IenW)
    Kleinere en middelgrote bedrijven hoeven niet langer bij te houden hoe werknemers reizen en hoeven geen rapportage meer in te dienen.
  • Vrijstelling tachograafplicht voor lichte elektrische bedrijfsvoertuigen (IenW)
    Ondernemers met elektrische bestelwagens hoeven geen tachograaf meer te installeren en geen arbeids- en rusttijden handmatig bij te houden.
  • Minder verplichte CBS-vragenlijsten (EZ)
    Bedrijven hoeven minder vaak en minder uitgebreid statistische formulieren in te vullen, wat tijd en kosten bespaart.
  • Eerst een waarschuwing bij te late ziek- of herstelmeldingen bij UWV (SZW)
    Werkgevers krijgen niet direct een boete bij een te late melding, wat bezwaarprocedures en kosten vermindert.
  • Bedrijfsartsadvies leidend bij UWV-toets re-integratie (SZW)
    Het oordeel van de bedrijfsarts wordt bepalend, waardoor werkgevers minder risico lopen op extra verplichtingen en langdurige procedures.

Europese regels en samenwerking

Een deel van de regeldruk komt voort uit Europese regelgeving. Nederland sluit zich aan bij de vereenvoudigingsaanpak van de Europese Commissie en doet zelf voorstellen om regels werkbaarder te maken.

Daarnaast werkt het kabinet samen met ondernemers- en uitvoeringsorganisaties om regels praktisch uitvoerbaar te maken. Een voorbeeld is de gezamenlijke aanpak van anti-witwasregels, waarbij overheid, toezichthouders en bedrijven samenwerken om administratieve lasten te verminderen.

Zzp’ers laten gemiddeld bijna vijfduizend euro belastingvoordeel liggen

 

Veel zelfstandig ondernemers benutten dit jaar hun jaarruimte niet en laten daardoor flink belastingvoordeel liggen. Landelijk komt dit neer op een bedrag van ruim € 4,5 miljard per jaar.

 

Dat blijkt uit een pensioenonderzoek van zzp-bank Knab onder meer dan duizend zzp’ers. Slechts 4 procent van de ondervraagden maakt dit jaar volledig gebruik van zijn jaarruimte, terwijl de helft er helemaal niets mee doet. De belangrijkste oorzaak is onbekendheid: 54 procent weet niet precies wat jaarruimte inhoudt.

Volgens Knab bedraagt de gemiddelde jaarruimte per zzp’er € 15.000. Wie deze niet benut, loopt gemiddeld € 4.800 netto belastingvoordeel mis. Naast gebrek aan kennis geven veel ondernemers aan te vertrouwen op ander vermogen of inkomen. Toch zegt 52 procent dat zij ‘zeker’ actie zouden ondernemen als ze wisten dat het om duizenden euro’s voordeel gaat.

Het kennisverschil tussen ondernemers met verschillende winstniveaus is groot. Bij een winst onder € 30.000 kent slechts een minderheid begrippen als jaarruimte of lijfrente, terwijl bij winsten boven € 70.000 ruim 70 procent hiervan op de hoogte is.

Wat is jaarruimte?

Veel zzp’ers denken ten onrechte dat het benutten van jaarruimte alleen belastinguitstel oplevert. In werkelijkheid gaat het om het bedrag dat ondernemers fiscaal voordelig mogen inleggen voor hun pensioen. Deze inleg is aftrekbaar in box 1, waardoor direct minder belasting wordt betaald. Over de latere uitkering wordt wel inkomstenbelasting geheven.

Hoewel veel ondernemers iets opbouwen voor later, heeft slechts 58 procent een goed beeld van hun toekomstige pensioeninkomen. Vooral zzp’ers onder de vijftig missen overzicht. Ondernemers die gebruikmaken van lijfrente ervaren opvallend meer rust, aldus Knab.

Pensioenopbouw en onderzoek

44 procent van de zzp’ers geeft achteraf aan liever eerder te zijn begonnen met pensioenopbouw. Wie later start, legt uiteindelijk een groter deel van het inkomen in, wat volgens Knab wijst op “achterstallige inhaaldrang”.

Het onderzoek vond plaats in november onder 1.055 zelfstandig ondernemers zonder loondienstverband en nog niet met pensioen. Voor het berekenen van de gemiddelde jaarruimte zijn alleen ondernemers meegenomen die daadwerkelijk jaarruimte hebben (circa 80 procent van de respondenten). Op basis van winst, aftrekposten, fiscale schijven en benutting is het misgelopen netto belastingvoordeel vastgesteld.