Inkomstenbelasting 2025

 

Vanaf 1 maart kan de aangifte inkomstenbelasting (aangiftejaar 2025) weer worden ingediend. Uiteraard kunnen wij dit ook dit jaar weer volledig voor je verzorgen.

 

 

Wil je dat wij je aangifte voor je doen? Dat regelen we graag voor je!

Je kunt je gegevens op de manier aanleveren die voor jou het prettigst is:

  • langskomen bij ons op kantoor
  • per post versturen
  • mailen naar je vaste contactpersoon
  • mailen naar info@b360.nl

Zorg er bij voorkeur voor dat je alle relevante stukken meestuurt, zoals onder andere:

  • jaaropgaven (loon, uitkering, pensioen)
  • WOZ-beschikking met peildatum 1 januari 2024
  • jaaropgaaf van je hypotheek
  • jaaroverzichten van bank-, spaar- en beleggingsrekeningen (ook van kinderen onder de 18)
  • jaaroverzichten van cryptobezittingen
  • eventuele zorgkosten, giften of andere aftrekposten
  • overige gegevens van leningen, schulden, lijfrentepremies, AOV e.d.
  • ontvangen of betaalde partneralimentatie

Heb je vragen of twijfel je of bepaalde gegevens nodig zijn? Neem gerust contact met ons op, we denken graag met je mee.

Buro360
Polluxweg 20
8938 AZ  LEEUWARDEN

058 26 55 526

Ondernemers ervaren kwijtschelding coronabelastingen als oneerlijk

 

Steeds meer ondernemers voelen zich tekortgedaan nu blijkt dat een deel van hun collega’s de tijdens de coronaperiode opgebouwde belastingschuld kwijtgescholden krijgt. Zij pleiten daarom voor een compensatieregeling vanuit de Belastingdienst.

 

Dat meldt het Financieele Dagblad (FD), dat sprak met de Utrechtse modeondernemer Daan Broekman. Hij voldeed tijdens de coronacrisis aan al zijn belastingverplichtingen, maar ziet nu dat andere ondernemers hun coronaschulden niet hoeven terug te betalen. Volgens Broekman is dit oneerlijke concurrentie. Om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, moest hij in die periode zijn spaargeld aanspreken.

Het FD schrijft dat het aantal ondernemers dat zich bij de Belastingdienst meldt met een verzoek om compensatie toeneemt. Zij vragen om teruggave van betaalde omzetbelasting en loonheffingen uit de coronatijd, of van bedragen die later alsnog zijn terugbetaald. Broekman heeft inmiddels zelf een compensatieverzoek ingediend bij zijn regionale belastingkantoor en roept andere ondernemers op hetzelfde te doen, of zich te wenden tot hun branchevereniging of inkooporganisatie.

Modelbrief

Brancheorganisatie Inretail heeft op haar website een modelbrief geplaatst waarmee winkeliers compensatie kunnen aanvragen voor betaalde omzetbelasting en loonheffingen tijdens de coronaperiode. Volgens het FD hoopt Inretail dat er een compensatieregeling komt wanneer voldoende ondernemers een dergelijk verzoek indienen. De modelbrief is tot nu toe ongeveer zeventig keer gedownload.

De Belastingdienst kan niet aangeven hoeveel bedrijven inmiddels kwijtschelding van hun belastingschuld hebben gekregen, zo meldt het FD. Voor kwijtschelding is een saneringsakkoord met schuldeisers vereist, waarbij zij instemmen met het laten vallen van een deel van de schuld. In totaal hebben ruim twaalfduizend bedrijven een saneringsverzoek ingediend. Daarbij wordt ook gekeken naar de levensvatbaarheid van het bedrijf.

Weinig kans

Advocaat Steven Effting van Dirkzwager acht de kans op succes voor deze ondernemers klein. Tegenover het FD stelt hij dat ondernemers die nu compensatie eisen, eerder actie hadden moeten ondernemen. “Wie daar te laat mee komt, grijpt achter het net,” aldus Effting.

Volgens hem is het bovendien weinig kansrijk om hier op dit moment nog met succes over te procederen.

Nieuw kabinet wil regeldruk voor ondernemers verminderen

 

Het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA lijkt positief uit te pakken voor ondernemers, zo concluderen werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland. Op 30 januari jl. presenteerden de drie partijen hun akkoord voor de periode 2026–2030, onder de titel ‘Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland’.

 

Als minderheidskabinet zullen D66, VVD en CDA voor hun plannen steeds steun moeten zoeken bij oppositiepartijen. Inmiddels hebben diverse politieke partijen en maatschappelijke organisaties hun reactie gegeven op de voorstellen uit het coalitieakkoord.

Hoewel de plannen nog kunnen veranderen, tonen zij volgens de werkgeversorganisaties in ieder geval oog voor de belangen van ondernemers. Zo bevat het akkoord meerdere concrete fiscale maatregelen en wordt ingezet op versterking van het Nederlandse verdienvermogen.

Positieve reacties

VNO-NCW en MKB-Nederland zijn tevreden dat de coalitiepartijen keuzes durven te maken die bijdragen aan een betere veiligheid, een aantrekkelijk investeringsklimaat en het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Volgens de organisaties vraagt de huidige situatie om het doorhakken van knopen in grote dossiers, zoals de energietransitie, stikstofproblematiek, woningbouw en de internationale concurrentiepositie. “Dat is precies wat deze drie partijen nu van plan zijn,” aldus de werkgeversorganisaties.

Zij geven aan graag samen te werken met het nieuwe kabinet en de Tweede Kamer aan oplossingen en het creëren van draagvlak. Positief vinden zij onder meer dat de coalitie doorgaat met het verminderen van regeldruk, blijft investeren in innovatie, infrastructuur en woningbouw, en inzet op het behoud van belangrijke ondernemersregelingen.

Daarnaast waarderen VNO-NCW en MKB-Nederland het streven naar een stabiel fiscaal beleid voor ondernemers. Ook zijn zij te spreken over de “stevige digitale ambities” die in het akkoord worden genoemd.

Sociale zekerheid

Op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid kondigt de coalitie ingrijpende hervormingen aan, waaronder het verkorten van de WW-uitkering tot één jaar. De werkgeversorganisaties hebben begrip voor deze voorstellen, maar erkennen dat dit pijnlijke keuzes met zich meebrengt.

Volgens VNO-NCW en MKB-Nederland is het positief dat de coalitie samen met sociale partners wil werken aan een bredere sociale agenda. Wel zijn zij teleurgesteld dat het coalitieakkoord geen concrete aanpassingen bevat op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte.

Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

 

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen. Ondanks de aanzienlijke weerstand tegen het voorstel, stemde uiteindelijk een ruime meerderheid vóór.

 

Verder uitstel heeft de staatskas inmiddels al miljarden euro’s aan gemiste belastinginkomsten gekost. Bij extra vertraging zouden deze verliezen alleen maar verder oplopen. Het is de bedoeling dat het nieuwe belastingstelsel in 2028 in werking treedt.

Toch is het onzeker hoe lang dit stelsel stand zal houden. Het kabinet dat binnenkort aantreedt, zal vrijwel direct moeten beginnen met een volgende hervorming. De Kamer wil dat vermogenden voortaan pas belasting betalen over gerealiseerde winsten bij verkoop van beleggingen, in plaats van over zogenoemde ‘papieren’ winsten. Een meerderheid verzocht eerder deze week om uiterlijk op Prinsjesdag 2028 met een concreet plan te komen.

Daarnaast is ook een amendement aangenomen waarin is vastgelegd dat het nieuwe stelsel na drie jaar wordt geëvalueerd.

Staatssecretaris verduidelijkt gevolgen massaal bezwaar belastingrente

 

Staatssecretaris Heijnen heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de consequenties van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. In dit arrest is geoordeeld dat het verhoogde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting (Vpb) onverbindend is.

 

In zijn toelichting geeft de Staatssecretaris aan dat de Hoge Raad het verhoogde rentepercentage voor de Vpb buiten toepassing heeft verklaard. Dit betekent dat in alle gevallen waarin belastingrente wordt berekend, het reguliere rentepercentage moet worden toegepast. Voor de vennootschapsbelasting is het massaal bezwaar geregeld in het besluit van 7 februari 2025. Voor de inkomstenbelasting (IB) is het massaal bezwaar vastgelegd in het besluit van 16 april 2025.

Massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting

Naar aanleiding van het arrest is het kabinet van oordeel dat de rechtsvragen die zijn opgenomen in de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente Vpb inmiddels definitief zijn beantwoord. De onderliggende zaak fungeerde als proefprocedure voor deze aanwijzing. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde belastingrentepercentage in strijd is met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel. De overige rechtsvragen uit de aanwijzing die betrekking hadden op toetsing aan andere algemene rechtsbeginselen of aan hoger (verdrags)recht zijn door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Op basis van het arrest bestaat daarom geen aanleiding voor aanvullende overwegingen of tegemoetkomingen.

Massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting

Hoewel voor de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente IB geen proefprocedure was aangewezen, acht de Staatssecretaris ook deze rechtsvragen met het arrest beantwoord. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat het reguliere belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of met geschreven hoger recht. Dit rentepercentage is derhalve niet onverbindend. Ook de per 1 januari 2024 ingevoerde wijziging in de berekeningssystematiek van het toepasselijke belastingrentepercentage leidt niet tot een ander oordeel.

De Staatssecretaris neemt hiermee een duidelijk eigen standpunt in, zonder een nadere uitspraak van de Hoge Raad af te wachten. Tegelijkertijd lopen er nog verschillende procedures. Zo is bij de Hoge Raad nog een zaak aanhangig over de rechtmatigheid van de belastingrente in de inkomstenbelasting. In zijn conclusie heeft de Procureur-Generaal aangegeven dat een belastingrente van ten minste 4% op stelselniveau volgens hem niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad moet hierover nog arrest wijzen. Daarnaast loopt er nog een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland.

Collectieve uitspraken op bezwaar en uitvoeringsgevolgen

Op grond van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet, zodra de rechtsvragen uit een aanwijzing massaal bezwaar definitief zijn beantwoord, binnen zes weken een collectieve uitspraak op bezwaar worden gedaan. Met deze collectieve uitspraak beslist de inspecteur op alle bezwaren waarop de aanwijzing massaal bezwaar van toepassing is.

De inspecteur zal twee afzonderlijke collectieve uitspraken doen. De eerste ziet op het massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting. De bezwaren die onder deze aanwijzing vallen, zullen bij collectieve uitspraak gegrond worden verklaard. De tweede collectieve uitspraak betreft het massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting. De bezwaren waarop deze aanwijzing van toepassing is, zullen ongegrond worden verklaard. Tegen een collectieve uitspraak staat geen beroep open.

Uiterlijk op 26 februari 2026 worden beide collectieve uitspraken gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. Binnen zes maanden na deze publicatie zullen de rentebeschikkingen waarin het verhoogde percentage is toegepast en die onder de aanwijzing massaal bezwaar belastingrente vennootschapsbelasting vallen, worden verminderd. De belastingrente wordt daarbij herberekend op basis van het toepasselijke reguliere percentage. Openstaande verzoeken tot herziening van belastingrente die is vastgesteld bij een voorlopige aanslag worden toegewezen, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De Belastingdienst heeft momenteel circa 30.000 van dergelijke bezwaren en verzoeken in behandeling.

De rentepercentages zijn inmiddels verwerkt in de IT-systemen van de Belastingdienst. Nieuwe beschikkingen belastingrente worden daarom berekend met toepassing van het juiste, reguliere percentage.

Concreet

In de praktijk betekent dit dat in bepaalde situaties nog steeds bezwaar moet worden gemaakt of een verzoek tot herziening van de belastingrente bij een voorlopige aanslag Vpb moet worden ingediend. Voor een overzicht van deze situaties wordt verwezen naar de website van de Belastingdienst, onder het kopje “Kan ik nog bezwaar maken tegen een aanslag vennootschapsbelasting met belastingrente?”. Waar in dit overzicht wordt gesproken over een aanslag vennootschapsbelasting, dient daaronder ook een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting te worden begrepen.

Het kan voorkomen dat al een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag Vpb is ingediend voordat een combinatiebrief kon worden verstuurd. Indien op dat verzoek een afwijzende beschikking is gegeven, eindigt de bezwaartermijn op de dag van dagtekening van de definitieve aanslag Vpb. Ligt de dagtekening van de afwijzende beschikking binnen zes weken vóór de dagtekening van de definitieve aanslag, dan eindigt de bezwaartermijn zes weken na de dagtekening van de afwijzende beschikking. Zo eindigt bijvoorbeeld de bezwaartermijn op 23 februari 2026 indien de afwijzende beschikking is gedagtekend op 12 januari 2026 en de definitieve aanslag Vpb is opgelegd op 14 januari 2026.

Met het doen van de collectieve uitspraken op bezwaar komt tevens een einde aan de massaal bezwaarprocedure voor de belastingrente. Bezwaarschriften die daarna worden ingediend, zullen individueel door de inspecteur worden behandeld en vereisen, indien nodig, een individueel beroep. Het is daarom raadzaam om met de cliënt te bespreken of deze route nog wenselijk is en deze keuze schriftelijk vast te leggen. Daarbij merken wij op dat wij de kans gering achten dat de Hoge Raad het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting en de overige belastingen die zijn genoemd in het besluit massaal bezwaar van 16 april 2025 alsnog onverbindend zal verklaren. Dit oordeel baseren wij op de overwegingen ten overvloede in het arrest van 16 januari 2026 en op de eerdergenoemde conclusie van de Procureur-Generaal.

Continuïteit onderneming rechtvaardigt verlaging gebruikelijk loon

De enkele omstandigheid dat betaling van het gebruikelijke loon tot een verlies leidt, vormt op zichzelf geen zakelijke reden om het loon te verlagen. Wanneer echter sprake is van een structurele verliessituatie waarbij uitbetaling van het eerder vastgestelde gebruikelijke loon de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt, kan een verlaging wél gerechtvaardigd zijn. Dat oordeelt het gerechtshof Den Haag.

Achtergrond van de zaak

De BV in kwestie houdt zich bezig met de in- en verkoop van edelmetalen, het verpanden van edelmetalen en registergoederen en de bewerking van edelmetalen. De dga is zowel enig aandeelhouder als enig werknemer. In januari 2023 doet de BV aangifte loonheffingen naar een belastbaar loon van € 48.000. Omdat betaling uitblijft, legt de inspecteur een naheffingsaanslag op voor dit bedrag plus een verzuimboete. Na bezwaar verlaagt de inspecteur het belastbare loon tot € 25.000.

De BV is het daarmee niet eens en stapt naar de rechtbank Den Haag. Die stelt het gebruikelijke loon verder omlaag vast op € 7.500, omdat betaling van een hoger loon de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. De inspecteur gaat daarop in hoger beroep bij het hof Den Haag.

Wettelijk kader en parlementaire geschiedenis

Het hof wijst op artikel 12a Wet LB: het gebruikelijke loon bedraagt in beginsel minimaal € 48.000 (voor 2022). Een lager loon is mogelijk als aannemelijk wordt gemaakt dat in vergelijkbare dienstbetrekkingen een lager loon gebruikelijk is.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een slechte financieel‑economische positie aanleiding kan zijn om het gebruikelijke loon te verlagen. De wetgever heeft bij de parlementaire behandeling overwogen dat verlaging zakelijk is wanneer betaling van het loon de continuïteit van de onderneming zou bedreigen.

Onmiddellijke bedreiging van de continuïteit

Het hof stelt vast dat betaling van een loon van € 25.000 in 2022 zou hebben geleid tot onmiddellijke discontinuïteit. De BV beschikte niet over voldoende liquiditeiten; om het loon te kunnen betalen, zouden voorraden of bedrijfsmiddelen moeten worden verkocht. Daardoor zou het noodzakelijke ondernemingskapitaal verdwijnen.

Dat de onderneming op dat moment nog niet structureel verlieslatend was, doet volgens het hof niet ter zake. Doorslaggevend is de vraag of uitbetaling van het loon de bedrijfsvoering direct onder druk zet. De stelling van de inspecteur dat alleen hoeft te worden gekeken of voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om de loonheffing af te dragen, vindt het hof in strijd met de parlementaire toelichting.

Financiële onderbouwing door de BV

De BV wijst op de zeer beperkte winsten in de jaren 2019–2021, de verliezen vanaf 2022 en haar beperkte eigen vermogen. De dga heeft zich in deze periode geen loon uitbetaald en ook op geen andere wijze gelden aan de BV onttrokken. Het hof acht aannemelijk dat het schaarse eigen vermogen – inclusief een eenmalige coronasteun in 2021 – noodzakelijk was voor voortzetting van de onderneming, onder meer voor de aankoop van voorraden en investeringen in bedrijfsmiddelen.

Daarnaast speelde mee dat de verhuurder van het winkelpand de huur eind 2024 wilde beëindigen, waarna de BV heeft besloten de onderneming in 2025 te staken.

Rol van latere feiten

Het hof benadrukt dat feiten na 31 december 2022 in principe geen rol spelen bij de toepassing van artikel 12a Wet LB. Toch moet de inspecteur bij zijn besluitvorming wél onder ogen zien dat de onderneming ook daarna verliesgevend bleef en in 2025 – afgezien van een leegverkoop – is gestaakt.

Eindoordeel

Het hof concludeert dat de BV heeft voldaan aan haar bewijslast: het door de inspecteur aangenomen gebruikelijke loon van € 25.000 is te hoog vastgesteld. De rechtbank heeft het loon terecht verlaagd tot € 7.500.

Maar een derde van bedrijven is voorbereid op fraude

Steeds meer organisaties investeren in fraudebeleid, risicoanalyses en gedragscodes. Toch blijkt slechts een derde van de private ondernemingen goed voorbereid te zijn op fraude‑incidenten. Dat blijkt uit de nieuwste editie van het jaarlijkse onderzoek van BDO naar trends en ontwikkelingen op het gebied van non‑compliance. Het onderzoek is uitgevoerd door BDO Forensics & Technology in samenwerking met BDO Audit & Assurance en gebaseerd op een enquête onder honderden organisaties in zowel de private als publieke sector.

Volgens BDO hoort het voorkomen en beheersen van fraude-, corruptie- en integriteitsrisico’s hoog op de agenda te staan. Geen enkele sector is immuun voor dergelijke risico’s. Goed bestuur en verantwoord ondernemerschap vragen om bewuste aandacht voor compliance, risicobeheersing en ethisch handelen.

Positieve ontwikkeling, maar voorbereiding blijft achter

Het onderzoek, inmiddels voor de vijfde keer uitgevoerd, laat een gestage positieve ontwikkeling zien. Steeds meer organisaties investeren in fraudebeleid, risicoanalyses en gedragscodes. Zowel binnen de publieke als private sector neemt het aantal organisaties dat deze zaken op orde heeft toe, al loopt de publieke sector daarbij duidelijk voor op het bedrijfsleven.

Toch blijft de daadwerkelijke voorbereiding op incidenten achter. Slechts 34% van de private organisaties geeft aan voldoende voorbereid te zijn wanneer zich fraude voordoet. In de publieke sector ligt dit percentage met 47% hoger, maar nog steeds is er sprake van een aanzienlijk tekort. Een ruime meerderheid beschikt niet over een adequaat frauderesponsplan, waardoor de impact van een incident groter kan uitvallen dan noodzakelijk.

Controle op ongebruikelijke transacties

BDO vroeg dit jaar ook in hoeverre organisaties controleren op ongebruikelijke transacties, dus transacties die afwijken van de reguliere bedrijfsvoering. Dit gebeurt echter maar mondjesmaat: slechts 21% van de private organisaties en 11% van de publieke instellingen houdt hier actief toezicht op.

Cyberrisico’s blijven groot

Ook op het gebied van cyberweerbaarheid zijn er zorgen. Organisaties schatten hun kwetsbaarheid voor cyberaanvallen hoger in dan vorig jaar, terwijl de risico’s onverminderd groot blijven. De afhankelijkheid van digitale gegevensverwerking maakt dat cyberincidenten een steeds grotere bedreiging vormen.

Het volledige onderzoeksrapport is te downloaden via de website van BDO.

EU-landen bereiken akkoord over digitale euro

 

Op 19 december hebben de EU-lidstaten een akkoord bereikt over de invoering van een digitale euro. De daadwerkelijke introductie laat echter nog op zich wachten: op zijn vroegst in 2029. Eerst moet het Europees Parlement instemmen, waarna de lidstaten en het Parlement samen tot een definitief besluit moeten komen.

 

Het akkoord volgde op een voorstel dat de Europese Commissie in juni 2023 presenteerde. Nederland heeft in de onderhandelingen sterk ingezet op strenge privacyvoorwaarden, niet-programmeerbaarheid en de mogelijkheid om de digitale euro offline te gebruiken. Volgens het ministerie van Financiën zijn deze punten nu stevig verankerd in de ontwerpverordening. Daarnaast heeft Nederland erop aangedrongen dat de kosten voor winkeliers laag blijven.

Digitale euro

De digitale euro wordt een digitale variant van contant geld die wordt uitgegeven door de Europese Centrale Bank (ECB). Het vormt een extra betaalmiddel naast banktegoeden en fysiek contant geld, waarbij gebruik niet verplicht is. Burgers zullen voor digitale euro’s bij hun bank een aparte rekening kunnen openen. Betalen kan via de bankapp, een app van de ECB of een speciale betaalkaart.

Online en offline betalen

Er komen twee varianten: een online en een offline digitale euro. De online versie kent een vergelijkbaar privacyniveau als bestaande digitale betaalmethoden, zoals pinnen of betalen met de mobiele telefoon. De offline variant biedt meer privacy en werkt bijvoorbeeld door twee telefoons dicht bij elkaar te houden. Hierdoor zijn betalingen ook mogelijk bij internetstoringen, stroomuitval of wanneer banksystemen tijdelijk niet beschikbaar zijn.

Winkeliers worden verplicht om digitale euro’s te accepteren. Als zij nu pinbetalingen toestaan, moeten zij ook betalingen met de digitale euro accepteren. Het ministerie van Financiën benadrukt dat dit voor Nederlandse winkeliers in de eerste jaren niet duurder zal zijn dan bestaande betaalmethoden en dat er ook op langere termijn maatregelen zijn om hoge kosten te voorkomen.

Niet bedoeld om te sparen

De digitale euro is bedoeld als betaalmiddel en niet om vermogen op te bouwen. Daarom wordt er een aanhoudingslimiet ingesteld: gebruikers kunnen maar een beperkt aantal digitale euro’s aanhouden. Net als contant geld levert een digitale euro geen rente op. Daarnaast hebben de EU-landen unaniem vastgelegd dat de digitale euro – of de technologie erachter – niet programmeerbaar mag zijn. Het gebruik kan dus niet worden gekoppeld aan specifieke bestedingsdoelen.

Kosten

Standaarddiensten zoals het openen of sluiten van een digitale-eurorekening en het doen van betalingen worden kosteloos voor consumenten. De ontwikkeling en het beheer van het systeem brengen echter wel kosten met zich mee. De Europese Centrale Bank neemt een deel van de kosten van het betalingsverkeer op zich. Banken, betaaldienstverleners en winkeliers leveren eveneens een bijdrage. In de beginjaren worden winkeliers beschermd tegen hogere tarieven. Zodra duidelijk is wat de feitelijke kosten voor banken en betaaldienstverleners zijn, worden de tarieven daarop aangepast.

NOAB luidt de noodklok over box 3-wetgeving

De Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen (NOAB), waarbij meer dan duizend administratie- en belastingadvieskantoren zijn aangesloten, slaat alarm over de huidige box 3-wetgeving. Uit een onderzoek onder de leden blijkt dat de systematiek leidt tot onrechtvaardige belastingheffing, ingewikkelde rekenschema’s, een hoge administratieve belasting en verplichtingen die in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar zijn voor burgers én adviseurs.

 

NOAB-leden constateren dat de feitelijke belastingdruk – mede door de afbouw van inkomensafhankelijke heffingskortingen – voor veel belastingplichtigen aanzienlijk hoger uitvalt dan het nominale tarief van 36 procent. Vooral mensen met lagere inkomens worden hierdoor relatief zwaar getroffen. Volgens de organisatie zorgt dit voor “onbegrip en wantrouwen richting het belastingstelsel”.

Vastgoed

Een belangrijk knelpunt is de verplichte belastingheffing vanaf 2026 over vastgoed dat uitsluitend ter beschikking staat, ook wanneer er geen sprake is van gebruik of rendement, zoals bij leegstand of na overlijden. De bevraagde adviseurs ervaren deze systematiek als onredelijk en in strijd met het uitgangspunt dat belasting wordt geheven over werkelijk inkomen.

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de combinatie van het kasstelsel en de jaarlijkse keuze tussen forfaitair en werkelijk rendement ongewenste timing- en stuurmogelijkheden creëert. Tegelijkertijd vinden leden het systeem te technisch en te wisselend voor gewone belastingplichtigen om goed te kunnen begrijpen.

Uitvoerbaarheid onder druk

Veel respondenten maken zich zorgen over de toenemende complexiteit van waarderingen, bijvoorbeeld bij familieleningen, schulden en valutaposities. Voor veel belastingplichtigen is deze regelgeving in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar, terwijl de administratieve lasten blijven toenemen.

Met het oog op 2028 – wanneer het werkelijk rendement voor alle belastingplichtigen leidend wordt – vrezen de NOAB-leden dat de belastingpraktijk nog verder onder druk komt te staan. Volgens de organisatie dreigt het stelsel “onuitvoerbaar te worden: de belastingplichtige kan het niet meer volgen, de adviseur kan het nauwelijks uitleggen en de Belastingdienst kan het niet adequaat uitvoeren”.

Oproep tot vereenvoudiging

NOAB pleit daarom voor een fundamentele vereenvoudiging van box 3, met duidelijke en praktisch toepasbare regels die aansluiten bij de economische realiteit. De organisatie vraagt om meer rechtszekerheid en een beperking van moeilijk beïnvloedbare ficties, die volgens hen “leiden tot heffing over rendement dat in werkelijkheid niet bestaat”.

Ook heeft de NOAB een overzicht gepubliceerd van de door leden aangedragen knelpunten. Deze kan je hier vinden.

Hoge Raad schrapt minimum van 8% belastingrente voor vennootschapsbelasting

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verhoogde minimumpercentage van 8% belastingrente voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Dit percentage mag daarom niet langer worden toegepast.

 

Een bv dient op 27 juni 2023 aangifte vennootschapsbelasting over 2021 in en vermeldt daarin een belastbaar bedrag van € 4.034.204. De inspecteur legt op 15 juli 2023 een voorlopige aanslag op conform de aangifte. Daarbij brengt hij € 90.969 aan belastingrente in rekening over de periode van 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023, berekend tegen het toen geldende minimumpercentage van 8%. De bv maakt bezwaar en stelt dat dit rentepercentage in strijd is met algemene rechtsbeginselen. De kern van het geschil is of de regeling die voor de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage voorschrijft, rechtmatig is.

Selectieve renteverhoging voor vpb-plichtigen

De Hoge Raad benadrukt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en die voor andere belastingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd bij de berekening van belastingrente. Toch schrijft het Besluit belasting- en invorderingsrente voor de vennootschapsbelasting een hoger percentage voor, met een minimum van 8%. Volgens de Hoge Raad ontbreekt hiervoor een redelijke rechtvaardiging.

Het argument dat dit percentage is gebaseerd op de wettelijke rente voor handelstransacties gaat niet op, omdat een nog niet geformaliseerde belastingschuld geen handelsvordering vormt. Ook het standpunt dat belastingplichtigen de rente kunnen vermijden door tijdig aangifte te doen of een voorlopige aanslag aan te vragen, is onvoldoende. Ook een vermijdbare maatregel mag namelijk niet onevenredig uitpakken.

Strijd met evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

Volgens de Hoge Raad dient het hogere rentepercentage vooral een budgettair doel. Dat kan echter niet rechtvaardigen dat uitsluitend vpb-plichtigen een aanzienlijk hogere belastingrente verschuldigd zijn. Het zonder geldige reden opleggen van extra lasten aan één specifieke groep is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en botst bovendien met het gelijkheidsbeginsel. Daarom is de bepaling die het minimumpercentage van 8% voorschrijft onverbindend en moet deze buiten toepassing blijven. In dit geval moet de belastingrente worden berekend volgens het algemene percentage van 4%.