De (langdurige) zieke werknemer

1. Mijn werknemer is ziek, wat nu?

2. Wat gebeurt er als ik mijn werknemer heb ziekgemeld.

3. Checklist Wet verbetering Poortwachter.

4. Mijn werknemer blijft ziek en komt niet terug.

1. Mijn werknemer is ziek, wat nu?

Als u werknemers in dienst hebt, ook al is het slechts één werknemer of één werknemer met een nul-uren contract, dan bent u verplicht om vanaf 1 juli 2018 te beschikken over een basiscontract met een bedrijfsarts of een arbodienst.

Als werkgever bent u in eerste instantie verantwoordelijk voor de juiste begeleiding van een zieke werknemer. De bedrijfsarts of arbodienst is adviseur van de werknemer en werkgever. In deze adviesrol moet de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid bewaren.

Is er geen basiscontract of u hebt geen arbodienst dan riskeert u een boete van € 1500.

2. Ziekmelding doorgeven

Na de ziekmelding van uw werknemer moet u het volgende doen:

  • Geef zo snel mogelijk aan de bedrijfsarts of arbodienst door dat uw werknemer ziek is.
  • Geef binnen 4 dagen na de ziekmelding aan UWV door dat uw werknemer ziek is als hij een Ziektewetuitkering krijgt of als u eigenrisicodrager bent voor WIA of WGA.
  • Zodra uw werknemer weer hersteld is van zijn ziekte meldt u dat zo spoedig mogelijk bij instantie waar u de werknemer hebt ziekgemeld.

Starten re-integratie

Als uw werknemer langdurig ziek is, dan moet u er samen voor zorgen dat hij zo snel mogelijk weer aan de slag kan. Dat heet re-integratie.

De Wet verbetering poortwachter verplicht u om:

  •  Alle gegevens, documenten en gegevens bij te houden en vast te leggen. Bijvoorbeeld het re-integratieverslag en de correspondentie met de arbodienst.
  •  Iedere 6 weken een voortgangsgesprek te voeren met uw werknemer. U maakt hiervan een verslag.
  •  Uiterlijk binnen 6 weken de bedrijfsarts in te schakelen. De bedrijfsarts beoordeelt wat uw werknemer nog kan doen en maakt een probleemanalyse.
  •  In de 8ste week van ziekte een plan van aanpak te maken samen met uw werknemer. UWV heeft hiervoor een format. · UWV om een deskundigenoordeel te vragen als de re-integratie vastloopt.
  •  Als het mogelijk is taken, werkplek, uren en werktijden aan te passen.

Uw werknemer werkt verplicht mee

Uw werknemer moet verplicht actief meewerken aan re-integratie. Hierbij hoort:

  •  Met de bedrijfsarts de gezondheidssituatie bespreken.
  •  Met u iedere 6 weken de voortgang bespreken.
  •  Samen met u een re-integratieplan opstellen en goedkeuren.
  •  Passend werk accepteren.

Rechten van uw werknemer

Uw werknemer:

  •  hoeft u niet te informeren over de aard van de ziekte of arbeidsongeschiktheid.
  •  is niet verplicht om de bedrijfsarts toestemming te geven voor het opvragen van medische gegevens.
  •  mag UWV zelf vragen om een deskundigenoordeel als hij het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts.

Doorbetalen salaris

U moet uw zieke werknemer met een vast of tijdelijk contract ten minste 70% van het laatstverdiende loon en vakantietoeslag doorbetalen. Staat er een hoger percentage in het arbeidscontract of cao? Dan moet u zich hieraan houden. De duur van doorbetaling is afhankelijk van een tijdelijk of vast contract, maximaal 104 weken.

Vergoeding werkplekaanpassing

Wanneer u extra kosten moet maken om de werkplek van uw werknemer aan te passen, kunt u hiervoor bij UWV een vergoeding aanvragen. Bijvoorbeeld als u een aangepast bureau moet aanschaffen.

Wanneer uw werknemer arbeidsongeschikt blijft

Als uw werknemer ondanks alle re-integratie inspanningen na 2 jaar voor 35% of meer arbeidsongeschikt blijkt, dan komt hij in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) terecht. Er zijn 2 WIA-uitkeringen: de WGA-uitkering en de IVA-uitkering. Bij een WGA-uitkering moet u altijd meebetalen. Hoeveel is afhankelijk is van het aantal werknemers uit uw bedrijf dat in de WGA komt. Bij een IVA-uitkering betaalt u niet mee.

3. Checklist – Verplichtingen uit de Wet verbetering Poortwachter (XpertHR)

4. Wat gebeurd er als de werkhervatting niet mogelijk is en er een WIA-uitkering aangevraagd moet worden.

Blijft uw werknemer langdurig ziek en blijkt werkhervatting niet mogelijk? Dan krijgen u en uw werknemer na 1,5 jaar een brief van UWV om de WIA-uitkering aan te vragen.

Voorkom dat u een loonsanctie krijgt van UWV

Als uw werknemer een WIA-uitkering aanvraagt, beoordeelt UWV of u en uw werknemer de eerste 2 ziektejaren genoeg hebben gedaan om hem weer aan het werk te krijgen. Daarom is het belangrijk dat u alle afspraken en inspanningen over zijn re-integratie goed vastlegt. Er zijn 2 mogelijkheden:

1. UWV oordeelt dat u genoeg heeft gedaan

Dan mag u na 2 jaar stoppen met de loondoorbetaling. Alleen als de aanvraag voor de WIA-uitkering te laat door u is ingediend, moet u het loon langer doorbetalen. UWV stuurt u hierover dan een brief.

2. UWV oordeelt dat u niet genoeg heeft gedaan

Dan kan UWV u een loonsanctie opleggen. U moet dan nog eens maximaal 1 jaar het loon doorbetalen. U mag uw werknemer tijdens deze periode niet ontslaan.

Check of u toestemming nodig heeft voor ontslag

Na 2 jaar mag u uw werknemer ontslaan. Als u het beiden eens bent met het ontslag kunt u in overleg het dienstverband beëindigen. Dit heet ontslag met wederzijds goedvinden. U heeft dan geen toestemming nodig van UWV. U moet dit wel schriftelijk vastleggen. Gaat uw werknemer niet akkoord met het ontslag, dan moet u toestemming vragen aan UWV. Let op: u moet een transitievergoeding betalen aan uw werknemer. Voor de betaalde transitievergoeding kunt u mogelijk compensatie aanvragen bij UWV.

(bron UWV)

Tarieven vennootschapsbelasting 2022

Het lage tarief van de vennootschapsbelasting is verlaagd van 16,5% naar 15% in 2021. Meer MKB-bedrijven gaan in de komende jaren dit lagere tarief betalen. Vanaf 2021 geldt het lage tarief voor winsten tot € 245.000. In 2022 zal deze grens verder verhoogd worden naar € 395.000.

De verlaging van het hoge tarief van de vennootschapsbelasting gaat niet door, waardoor dit tarief vanaf 2021 op 25% blijft staan.

Bron: www.rijksoverheid.nl

 

Wilt u meer informatie, bel vrijblijvend voor een afspraak met een bakje koffie. Bel

Extra geld voor klimaat, veiligheid en wonen

 

 

 

 

Het kabinet is demissionair, daarom zijn er minder Prinsjesdagplannen dan andere jaren. Sommige zaken kunnen volgens het kabinet niet wachten. Vooral op het gebied van:

  • klimaat
  • veiligheid
  • wonen

Voor die zaken komt extra geld beschikbaar.

Bron: www.rijksoverheid.nl

Begrotingstekort neemt af

 

 

 

 

Door de coronacrisis was er in 2020 voor het eerst in 4 jaar weer een tekort op de begroting. Dit kwam door de extra miljarden die nodig waren om de gevolgen van de coronacrisis te beperken. In 2021 nam het tekort toe tot maar liefst 6% van het bbp.

Ook in 2022 geeft de overheid opnieuw meer geld uit dan er binnenkomt. Maar het tekort wordt minder. In 2022 is het tekort van de overheid (Rijksoverheid, gemeentes en provincies)  -2,4%. Dat is € 21 miljard.

Bron: www.rijksoverheid.nl

BPM Auto’s

De CO2-uitstoot van de personenauto bepaalt de te betalen Belasting op Personenauto’s en Motorrijwielen (bpm). Auto’s die meer CO2 uitstoten, moeten meer bpm betalen. Nieuwe auto’s worden gelukkig steeds milieuvriendelijker door technologische ontwikkelingen. Dit betekent echter dat er steeds minder bpm wordt betaald. Deze belastinginkomsten zijn wel belangrijk voor overheidsuitgaven. Daarom wordt de bpm-tabel aangepast voor 2022 t/m 2025. De tabel geldt voor 2022 voor auto’s die rijden op diesel of benzine. Voor emissievrije auto’s geldt een bpm-vrijstelling tot en met 2024.

Doel: ‘Autonome vergroening’ door milieuvriendelijkere auto’s

Doordat technologische ontwikkelingen steeds meer effect hebben op de CO2-uitstoot, worden nieuwe auto’s steeds milieuvriendelijker. Dit is autonome vergroening. Al sinds 2009 wordt de bpm aangepast om afname van belastinginkomsten door de autonome vergroening te corrigeren.

Voorstel kabinet: aanpassen bpm-tabel 2022 tot 2025

Voor de jaren 2022-2025 is de verwachte vergroening 2,3% per jaar. In de tabel staan de grenzen en tarieven die gelden per 1 januari 2022. Daarna veranderen de grenzen en tarieven tot 2025 ieder jaar ca. met 2,3%.

Bron:www.rijksoverheid.nl

Emissievrije Auto’s

De verkoop van emissievrije personenauto’s (EV’s) gaat beter dan verwacht. Maar de stimulering van EV’s kost de overheid hierdoor ook meer geld dan bij het Klimaatakkoord was afgesproken. Volgens deze afspraken zou het stimuleringsbeleid hierdoor eigenlijk per 2022 versoberd kunnen worden. Tegelijkertijd is de klimaatopgave urgent en is realisatie van de ambitie van 100% EV-nieuwverkoop in 2030 nog niet in zicht. Het kabinet blijft daarom ook in 2022 de verkoop van EV’s stimuleren. De stimulering richt zich daarbij meer op de particuliere markt.

Voorstel kabinet: blijven stimuleren van verkoop emissievrije auto’s in 2022

Om de verkoop van EV’s te blijven stimuleren stelt het kabinet het volgende voor:

Het bijtellingspercentage voor privégebruik van een zakelijke EV wordt afgebouwd zoals afgesproken in het Klimaatakkoord. In 2022 is de korting 6% en daarmee komt de bijtelling op 16% (normaal tarief is 22%).
De catalogusprijs waarover de korting op het bijtellingspercentage voor EV’s geldt, wordt verlaagd. In 2022 wordt dit € 35.000 en vanaf 2023 € 30.000.
Het budget voor de subsidieregeling voor emissievrije bestelauto’s en particuliere personenauto’s wordt verhoogd.

Bijtellingspercentage

Het algemene bijtellingspercentage is 22% over de cataloguswaarde van het voertuig. Voor EV’s geldt een korting. De in het Klimaatakkoord afgesproken jaarlijkse afbouw van de korting blijft in stand en wordt niet versneld afgebouwd.

Cataloguswaarde

De cataloguswaarde waarover de korting op de bijtelling voor EV’s toegepast mag worden, was in het Klimaatakkoord maximaal € 40.000 tot en met 2025. Deze zogenoemde cap in de bijtelling wordt nu vanaf 2022 wel in twee stappen verlaagd. Voor het resterende bedrag boven de cap geldt het normale bijtellingspercentage van 22%.

Zo worden goedkopere emissievrije auto’s aantrekkelijker voor de zakelijke markt. Dit sluit beter aan op de wensen van particuliere kopers, wanneer deze zakelijke auto’s na de leaseperiode tweedehands worden verkocht.

Extra subsidie

Tot slot worden de budgetten voor de subsidieregelingen voor emissievrije bestelauto’s (SEBA) en particuliere emissievrije personenauto’s (SEPP) verhoogd. Met deze (laatste) subsidie wordt ook de verkoop van tweedehands EV’s en private lease gestimuleerd. De precieze invulling van de hoogte van de subsidiebedragen zal het kabinet in de komende periode uitwerken.

Effecten verkoop EV’s en CO2-uitstoot

In het Klimaatakkoord werd de schatting gemaakt dat in de periode 2022-2025 circa 280.000 emissievrije auto’s verkocht zullen worden. Door het besluit het stimuleringsbeleid per saldo niet te versoberen, worden er tot en met 2025 naar verwachting nog zo’n 77.000 EV’s meer verkocht.

Dit leidt ten opzichte van het Klimaatakkoord naar verwachting tot een extra CO2-winst van cumulatief circa 0,5 Mton in de periode 2022-2025. In totaal zal de CO2-besparing van deze extra stimulering inclusief het Klimaatakkoord-pakket circa 6 Mton over de periode 2022-2030 zijn.

Bron:www.rijksoverheid.nl

Milieu-Investeringsaftrek (MIA)

 

Het kabinet stimuleert bedrijven om te investeren in innovatieve milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen met de Milieu-investeringsaftrek (MIA). Hiermee mogen bedrijven een percentage van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst. Zij hoeven dan minder inkomsten- en vennootschapsbelasting te betalen. Het kabinet verhoogt vanaf 1 januari 2022 de percentages, zodat bedrijven een hogere korting kunnen krijgen. Milieuvriendelijke investeringen worden daarmee aantrekkelijker.

Doel: bedrijven stimuleren om te investeren in innovatieve milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen

Milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen zijn vaak duurder dan het minder milieuvriendelijke alternatief. Denk bijvoorbeeld aan een matras die aan het einde van de levensduur gegarandeerd wordt teruggenomen en waarvan alle onderdelen worden hergebruikt of gerecycled tot grondstoffen. Het kabinet stimuleert bedrijven om te investeren in zulke bedrijfsmiddelen met de Milieu-investeringsaftrek (MIA).

Het kabinet past de regeling aan omdat uit onderzoek blijkt dat milieu-investeringen duurder zijn geworden en/of fors duurder zijn ten opzichte van minder milieuvriendelijke alternatieven. De hogere korting moet er voor zorgen dat er meer duurzame investeringen worden gedaan.

Voorstel kabinet: aanpassing steunpercentages MIA

De MIA kent nu drie percentages: 13,5%, 27% en 36%. Vanaf 1 januari 2022 worden deze steunpercentages hoger: 27%, 36% en 45%. Op de Milieulijst staat aangegeven welk percentage geldt voor ieder bedrijfsmiddel. RVO vernieuwt de Milieulijst aan het einde van ieder jaar. In combinatie met de Vamil (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen) kan het netto belastingvoordeel voor bedrijven hiermee oplopen tot ruim 14% van het investeringsbedrag.

De innovatieve bedrijfsmiddelen waarvoor de MIA gaat gelden worden bij de Milieulijst 2022 bekend. Onder het hoogste steunpercentage zullen kwalificerende groene investeringen worden gebracht. Voorbeelden die in aanmerking zouden kunnen komen zijn onder andere: nieuwe en innovatieve grondstofbesparende productieapparatuur, productieapparatuur voor het voorkomen van ontstaan van CO2 en volledig circulaire kantoorgebouwen of woningen.

Bron: www.rijksoverheid.nl

Overdrachtsbelasting

 

Sinds 1 januari 2021 betalen starters onder de 35 jaar eenmalig geen overdrachtsbelasting (ovb) bij aankoop van hun woning. Kopers vanaf 35 jaar die de woning zelf gaan bewonen betalen 2%. Kopers die de woning niet zelf gaan bewonen betalen 8%. Het kabinet regelt dat kopers bij onvoorziene omstandigheden na de koop maar vóór de overdracht niet automatisch het algemene tarief (8%) betalen.

Doel: rekening houden met onvoorziene omstandigheden bij overdrachtsbelasting

Om de startersvrijstelling of het verlaagde tarief (2%) toe te passen, moeten kopers voldoen aan de voorwaarde dat zij de woning langdurig als hoofdverblijf gaan gebruiken. In sommige situaties lukt dat niet. Bijvoorbeeld als kopers scheiden, of als een van beiden komt te overlijden. De huidige regeling houdt rekening met deze onvoorziene omstandigheden na overdracht bij de notaris. De kopers hoeven dan niet het algemene tarief van 8% te betalen. De startersvrijstelling of het lage tarief blijft in stand.

Voorstel kabinet: bij bepalen overdrachtsbelasting rekening houden met onvoorziene omstandigheden voor overdracht bij de notaris

Vanaf 1 januari 2022 wordt ook rekening gehouden met onvoorziene omstandigheden die zich eerder voordoen. Scheiden de kopers vóór de overdracht bij de notaris, maar na het moment van ondertekening van het koopcontract? Of komt één van hen te overlijden? Ook dan kan de startersvrijstelling of het lage tarief gelden. De kopers hoeven niet alsnog het algemene tarief van 8% te betalen als zij voldoen aan de volgende drie voorwaarden:

De onvoorziene omstandigheid vindt plaats tussen het tekenen van het koopcontact en het moment van overdracht bij de notaris.

Door de onvoorziene omstandigheid kan de koper niet voldoen aan het hoofdverblijfcriterium (langere tijd in de woning wonen).
De koper legt een ‘verklaring overdrachtsbelasting onvoorziene omstandigheden’ af, waarin hij aangeeft dat hij (of de persoon van wie hij heeft geërfd) tussen de datum van ondertekening van het koopcontract en de datum van de onvoorziene omstandigheid het voornemen had de woning als hoofdverblijf te gebruiken. Ook verklaart hij dat de onvoorziene omstandigheid de reden is dat hij redelijkerwijs niet in staat is de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

Stand van zaken wetsvoorstel

Dit voorstel is onderdeel van het Belastingplan 2022. Als de Eerste en Tweede Kamer dit voorstel goedkeuren, gaat het vanaf 1 januari 2022 in.

Bron: www.rijksoverheid.nl

Vergoeding Thuiswerkkosten

 

Door de coronacrisis werken veel mensen thuis. Veel werknemers en werkgevers willen afspraken maken om ook na de crisis (deels) thuis te blijven werken. Het kabinet introduceert daarvoor per 1 januari 2022 een onbelaste thuiswerkkostenvergoeding van maximaal € 2 per dag.

Doel: extra kosten voor werknemer door thuiswerken compenseren

Thuiswerken zorgt voor extra kosten voor de werknemer. Bijvoorbeeld voor:

  • water- en elektriciteitsverbruik;
  • verwarming;
  • koffie en thee;
  • toiletpapier.

Veel werkgevers hebben aangegeven hun werknemers een vergoeding te willen geven voor deze extra kosten. Dat blijkt ook uit het onderzoek van werkgeversvereniging AWVN onder 450 Nederlandse bedrijven. Hierin gaf 60% aan dat twee dagen per week thuiswerken de norm kan worden.

Voor het inrichten van een thuiswerkplek mag een werkgever al een onbelaste vergoeding geven. De kosten voor een bureaustoel, een computer of een telefoon, kan de werkgever via andere gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling vergoeden.

Voorstel kabinet: thuiswerkkostenvergoeding van maximaal € 2 per dag

Om werkgevers de mogelijkheid te bieden hun werknemers te vergoeden voor kosten door het thuiswerken, stelt het kabinet het volgende voor:

Het kabinet stelt de vergoeding na onderzoek door het Nibud vast op maximaal € 2 per thuisgewerkte dag of deel daarvan.
De werkgever hoeft geen loonheffing te betalen voor deze thuiswerkvergoeding.
Ook blijft een onbelaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer bestaan. Deze bedraagt maximaal € 0,19 per kilometer.
De werkgever kan per dag óf de thuiswerkkostenvergoeding, óf de reiskostenvergoeding geven.
De werknemer en werkgever kunnen vaste afspraken maken over het aantal dagen per week waarop de werknemer thuiswerkt. Op basis hiervan kan de werkgever een vaste vergoeding toekennen. Zo hoeft de werkgever niet per werkdag bij te houden welke vergoeding hij toekent. De vaste vergoeding hoeft niet te worden aangepast als incidenteel op een thuiswerkdag toch op kantoor wordt gewerkt, of andersom. Wanneer de werknemer structureel meer gaat thuiswerken of naar kantoor gaat, dan moet de vaste vergoeding worden aangepast.

Sommige werknemers zullen een deel van de dag thuiswerken en het andere deel op kantoor. Dan kiest de werkgever of hij voor die werkdag de onbelaste reiskostenvergoeding geeft, of de onbelaste thuiswerkkostenvergoeding. Beide kan niet.

Bron: www.rijksoverheid.nl