Op 16 januari heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over de hoogte van de belastingrente in (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting die vanaf 1 januari 2022 zijn opgelegd.
Voorgeschiedenis
Belastingrente is de rente die de Belastingdienst in rekening brengt over het bedrag van een belastingaanslag, vanaf zes maanden na afloop van het kalender- of boekjaar waarover aangifte moet worden gedaan. De bedoeling achter deze regeling is om belastingplichtigen te stimuleren op tijd en volledig aangifte te doen, of wanneer dat nodig is tijdig een voorlopige aanslag aan te vragen. Zo ontvangt de Belastingdienst de verschuldigde belasting eerder.
Sinds 2014 wordt er onderscheid gemaakt tussen het rentepercentage voor de vennootschapsbelasting en het percentage dat geldt voor andere belastingmiddelen. Vanaf 2022 is voor de vennootschapsbelasting een rente van 8% vastgesteld, wat aanzienlijk hoger ligt dan de rentepercentages voor overige belastingen. Dit verschil leidde tot veel bezwaarschriften van vennootschapsbelastingplichtigen, die vonden dat hiermee het evenredigheidsbeginsel werd geschonden.
Vanwege de hoeveelheid bezwaren heeft de Staatssecretaris besloten deze te bundelen in een massaalbezwaarprocedure. De uitkomst van zo’n procedure geldt direct voor alle onderliggende bezwaren. Ook alle bezwaren tegen de belastingrente in (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting zijn massaal verklaard.
Op 7 november 2024 oordeelde de Rechtbank Noord-Nederland dat het verhoogde rentepercentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens de rechtbank is het stimuleren van snelle betaling geen voldoende rechtvaardiging voor de forse lastenverzwaring voor vennootschapsbelastingplichtigen. De Staatssecretaris ging tegen dit oordeel in cassatie.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad heeft inmiddels arrest gewezen en het oordeel van de rechtbank bevestigd. Volgens de Hoge Raad ontbreekt een voldoende rechtvaardiging voor het hanteren van een substantieel hoger rentepercentage binnen de vennootschapsbelasting. Het hogere tarief is volgens de Hoge Raad in strijd met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel.
Dit betekent dat voor de vennootschapsbelasting hetzelfde rentepercentage moet gelden als voor andere belastingmiddelen.
Daarnaast zijn de afgelopen maanden ook veel bezwaren ingediend tegen het rentepercentage voor andere belastingmiddelen. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat deze lagere tarieven niet in strijd zijn met enig rechtsbeginsel. Deze bezwaren binnen de inkomstenbelasting en overige belastingsoorten zullen daarom waarschijnlijk worden afgewezen.